vrijdag 27 september 2019

Beethoven inclusief de kramp

Beethoven zoekt de extremen. Dat ontgaat ons vaak, omdat het alweer tweehonderd jaar geleden is dat hij zijn dingen schreef. Zo klinkt de Vijfde in onze oren als het vogeldeuntje dat hem zou hebben geïnspireerd, en horen we de Negende als het Europees volkslied. Beethoven is zo dichtbij gekomen dat we de afstand niet meer kunnen horen.

Guido van Oorschot heeft dus wel gelijk als hij, wat ik via die verdwijning van de afstand thematiseer, hoort in de perfectie van de techniek. De pianisten hebben alweer tweehonderd jaar extra kunnen oefenen. Zo komt pianist Igor Levit uit bij de absolute perfectie. Van Oorschot heeft dus ook gelijk wanneer hij na zo'n uitvoering snakt naar Ronald Brautigam. Alleen, ik had me daar nog niet in verdiept. Afgelopen week heb ik die dus maar eens door mijn spotify laten bezorgen en geluisterd.

Vroeger was dat een louterend ritueel: alle symfonieën na elkaar luisteren, niet als binge, maar met tussenpozen. Het werden zodoende de twaalf staties van Jezus' kruisgang. Bij de sonates eindigde het ook echt met een soort graflegging of verrijzenis, het lijden van opus 111 maakte plaats voor de hemelse klokjes van het tweede deel, het arioso. Beethoven kon daarna gerust sterven en liefst zouden we meegaan naar die hemel.

Nu lag er een andere inzet. Van Oorschot verlangde naar de hammerklavieruitvoeringen van Brautigam omdat er wordt gehakt met spaanders. Er moet mishandeling plaatsvinden. Nou, dat heb ik geweten. Er kwam een Beethoven naar voren die ik weliswaar herkende (zie mijn mijmering over het sforzato), maar die ik soms onaangenaam vond. Het hele fluïdum van een Richter werd van me afgepakt. Alles werd expressief. Kan best dat Beethoven dat had gewild, maar ik kon er die hemelse vrede niet mee bereiken.

Even tussendoor. Het begon me wel te dagen wat de drive kan zijn van een recensent. Hij wil graag ergens gehakt van maken. Dat is het dus. Maar ik zoek blijkbaar iets anders. Ik lees die recensies erg graag. Maar nu had ik die kennelijk gelezen als uitnodiging om Brautigam te proberen. Zo zijn recensies natuurlijk ook bedoeld. Ze moeten je nieuwsgierig maken naar iets, zelfs als ze je over de rug van Levit nieuwsgierig maken naar Brautigam. Misschien geldt zoiets voor elk oordeel. Een oordeel is niet het einde van alles, maar het begin. Na dat oordeel, positief of negatief, kun je weer ademhalen. Je kunt weer terug naar de muziek, naar het leven.

Wat gebeurde er in mij bij die serie van 32 sonates op hammerklavier? De teleurstelling bleef enige tijd aanhouden. Het dieptepunt bereikte ik in de Sonate Pathétique, zijthema eerste deel, toevallig of niet weer in datzelfde ritme als de opening van de Vijfde Symfonie, ta-ta-ta-tam. Het werd een vreemd overspannen gekwek, anders kan ik het niet noemen. Inez liet ik het na het eten even horen, en daarna Richter, waar het thema opgenomen is in het fluïdum zonder energieverlies, maar met behoud van waardigheid.

Maar goed, een paar dagen later zat ik in mijn treintje na een vermoeiende dag, miniflesje wijn erbij, en stond de Waldstein op. Ineens hoorde ik Czerny, de beroemde en beruchte leerling van Beethoven met zijn vingervlugheidoefeningen met krankzinnige metronoomaanduidingen. Op zo'n hammerklavier is dat blijkbaar mogelijk, en Brautigam maakt daar gebruik van. Hij kwam op volle toeren, de stemmen schoten door elkaar heen, ik verloor mij in een paar minuten tijd in Dionysos, de god van de roes, het lijden, de fragmentatie, de wijn, de spaanders. Gevaarlijk spul, vooral als je denkt aan Lenin met zijn enthousiasme voor de Appassionata en zijn uitspraak dat je geen eieren kunt bakken zonder ze te breken. Maar je bent je hoofd al kwijt. En bovendien heb ik Lenin nog zien liggen, 1989, bij het Rode Plein, hij oogde allerminst als een gebroken ei.

Daarna voel je je een ander mens, gebroken en geheeld, geheeld en gebroken.

Maar we waren op zoek naar die afstand, de afstand die door Levit teniet was gedaan. We moeten gehakt maken van Beethoven, of hij van ons, we moeten het afgeronde werk (uitvoering Levit) weer terugbrengen tot het werk waar de vonken vanaf springen. We zijn terechtgekomen in een paradox. Het leek altijd of de hammerklavierspecialisten de twee eeuwen wilden tenietdoen om dichter bij Beethoven te komen, bezorgd om waardigheid en respect. Maar wat ik nu ervoer was dat de afstand werd hersteld. Om Beethoven te horen moet je in zekere zin doof worden, doof voor de nuances en perfectie.

Zou het kunnen dat ik zonder het te weten dicht bij Beethoven zat toen ik me al spelend door zijn sonates heen worstelde? Goed, mijn techniek liet te wensen over, maar een ding had ik misschien wel goed begrepen. Beethoven bood weerstand tegen de schoonheid. Het was niet altijd leuk. Luister nog eens naar het eerste deel van 111. Steeds als het op gang komt onderbreekt Beethoven die gang, uiterst laag tegen uiterst hoog wil maar geen balans opleveren, het maakt je claustrofobisch. De kramp slaat snel toe in je vingers, en opnieuw bij die absurde hoge nootjes in het arioso. Die kramp is geen bijzaak, misschien.

Afbeeldingsresultaat voor piano kapot

zaterdag 14 september 2019

Praten omtoveren in muziek

Zo simpel kan het zijn. Praten omtoveren in muziek. 's Nachts kan ik niet meer zonder. Neem een saai radioprogramma, hoe saaier hoe beter. Zet het op je oortjes of op je iPad. De zachtste stand voldoet niet? Leg hem dan op afstand, afstand is hier het sleutelwoord, zoals u weet. Vroeger stond ik als assistent van mijn leraar orgel bij zijn orgel. Er was geen crescendopedaal. Het was de bedoeling dat je de kastdeuren van het orgel dicht hield, open zette of op een kiertje. Je hebt dus geen knopjes of wieltjes nodig. Demping kan op zoveel manieren.

Ze praten aan alle kanten langs je heen. Je loopt door de stad. Flarden bereiken je. .... toen André dus zei....   Ik zou voor rood kiezen maar dat zeg ik ook maar omdat....  Het is me nog teveel. Beter was het toen ik vanmiddag in de Koepelkerk zat en de spreker van het Alexander Consort zich verontschuldigde omdat in het programmaboekje geen tekst stond van de cantate. Kon dat nog iets zijn dan? Ja, want de zangers deden zo hun best om te articuleren. Onze vriend Andries, beroepsmusicus, zat vlak voor ons en keek niet eens in het programmaboekje. Muziek immers, daar ging het om. De zangers zingen dus niet om ons al articulerend de gezongen boodschappen te brengen. Ze brengen ons het zingen, niet de boodschap. Hun boodschap is de zang.

Ik zit bovenin de Koepelkerk. De afstand is groot genoeg. Anderen zijn zelfs achter zuilen gaan zitten, of in de galerij onderin, waar ze geen zicht hebben op de spectaculaire bewegingen die de muziek voortbrengen. Ze luisteren, ze bevinden zich in het landschap waar luisteren voldoende is. De mede-oprichter van het Consort spreekt ons tussen de muziekstukken toe op Hans-van-den-Boom-achtige wijze, dus met humor. Ik zie aan Andries dat de humor langs hem heen gaat, en daaruit put ik inspiratie. Ondanks deze zin voor proportie kunnen we het waarderen dat Dick het kan opbrengen de muziek te framen in een soort show, een les zelfs. Eerst twaalf maten basso continuo, dan diezelfde maten met de instrumenten erbij. Zie je wel, Bach maakt de cantate van Kuhnau tot een meesterstuk! Het betere jatwerk.

Maar de betekenis van de teksten ontgaat ons. Zelfs bij het stuk dat letterlijk in het programmaboekje staat, in Duits met ernaast de vertaling. We lezen het niet, we horen het niet. Alle tekstdichters hebben hun best gedaan, zelfs de psalmteksten over de pracht van de natuur komen niet aan. Of, ze komen wel aan, maar via de muziek, als muziek. De natuur, dat is gewoon die muziek. De natuur wordt in de psalm bezongen, maar die natuur is die psalm die wordt bezongen, het is de zang die als psalm bij ons komt.

Ik stel me de muziek voor als een gigantische stofzuiger die de woordbetekenissen opzuigt. Aan de andere kant van de stofzuiger voelt het warm, beetje stoffig, maar zeker niet onaangenaam. We kijken naar de musici, maar waar kijken we eigenlijk naar? We kijken naar de muziek. Die roept weer gepraat op, het oudere echtpaar achter ons dat even fluistert. De celliste die lacht met de altviolist. Het is deels een Hans-van-den-Boom-effect, Bach moet weer leuk zijn, je moet laten zien dat je kunt doorgaan met lachen en grappen, ook bij Bach. Maar deels is het ook de muziek die dit oproept. Het praat in ons, de muziek is gewoonweg te heilig en er moet gepraat zijn om het geheel weer in balans te brengen.

En zo belanden we bij de koffie, koffie met een petit four, in lunchroom 't Hemelrijk. Hier kun je praten, zonder het achttiende eeuwse universum te verlaten. We hoeven niet meer te zeggen dan dat de muziek beviel. Vivaldi, Kuhnau, Bach. We hebben genoten. Dat moesten we even zeggen. Wat kun je anders? Applaus, betalen met ritselend geld, napraten in de lunchroom.

De stofzuiger groeit uit tot een enorme spiegel. We kijken naar onszelf terwijl de muziek doorgaat, tendentieus.

Andere variant van deze spiegel: de film van Tarkovski met diezelfde naam. Gisteren speelde ik deze film af op mijn laptop, met een verbinding naar de tv. Er was wel Engelse ondertiteling bij deze Russische film. Maar het liep niet synchroon. Onbedoeld deed zich de kans voor om naar Tarkovski te kijken zonder te luisteren naar de teksten. De teksten werden meer muziek dan ooit. We hadden slechts een vaag idee waar de teksten over gingen. Er waren beelden, en er was tekst. Maar het een raakte niet aan het andere, tenzij via onze verbeelding.

Wat ik me nu afvraag: stel dat een regisseur zaken zoals plotelementen uit elkaar houdt, zodat we via de film toetreden tot de knip-technieken van de beeldende kunst? Dat lokt dan ongetwijfeld uit dat we zelf het verband gaan leggen tussen beide scènes. Onze interpretatie neemt het over van de expressie van de regisseur. We begrijpen al te goed wat de film zegt, en nemen het over. Geleidelijk worden we muziek.

Afbeeldingsresultaat voor koepelkerk arnhem

vrijdag 13 september 2019

Afstand bewaren tot Yuja Wang

Prokofjev werd op de radio ingezet, en het bleek Yuja Wang te zijn. Begrijp me niet verkeerd, het was niet zo dat de pianist Prokofjev niet aanvoelde. Het is zo moeilijk om oordelen te vermijden als je over kunst schrijft. Bij Yuja Wang denk ik aan een vriend die me het Youtube-filmpje stuurde, en aan Nietzsche die zei dat je naar het beeld van een mooie vrouw toch moeilijk kunt kijken zoals Kant denkt dat we kijken, namelijk zonder belang (Interesse) in het bestaan van ons beschouwde object.

Interessant is het moment voordat ik opzocht wie hier de uitvoerder was. Wat ik hoorde was het langzame middendeel van de achtste pianosonate, met die mooie melodie. Geleidelijk ontvouwde zich het vertrouwde miniatuurlandschap met stemmen die deze melodie van onderen en van boven omspeelden. Wat me nu opviel was dat de melodie behoorlijk hard werd gespeeld, je zou bijna zeggen mannelijk. Daardoor raakte een ander effect van dit muziekje naar mijn gevoel ondergesneeuwd, namelijk het koortsachtige. Prokofjev verstaat misschien nog beter dan Sjostakovitsj de kunst om gewone noten te kiezen, en dan hier en daar een beetje af te wijken, met een sterk gevoel van dosering en lichte vervreemding. Je waant je in een besneeuwd Russisch bos, in de verte brandt zwak een lichtje, je verheugt je op het moment dat je in een warm bed valt en dat iemand (niet per se Yuja Wang) je een warme grog komt brengen.

Ik raak nu in een ander soort vervreemding. De melodie wordt zo nadrukkelijk gespeeld dat ik bijna wordt gedwongen om mijn afstand te verlaten, mijn muziek van een afstand. Ook sta ik dus op het punt om te oordelen, zo van 'hè wat is dit overdreven!' of à la Diskotabel 'het zou me erg verbazen als dit Richter was'. Maar ik heb er een groot vertrouwen in dat muziek altijd sterker is dan het smaakoordeel, sterker ook dan ons testosteron. De eerste reddingsboei werpt Biëlla Luttmer me toe, met haar bejubeling van een recital door Yuja Wang. Luttmer is een vrouw, en signaleert slechts terloops de gewaagde kleding van Wang. Daarnaast wijst ze op de virtuositeit en vooral de energie van haar spel. Energie die energie oplevert.

Ik meet de afstand tot mijn gedachten bij Mustonen en de Scythen die Prokofjev meetrok, een paar jaar terug hier in Arnhem. Verrek, dacht ik, wat ik zojuist had gehoord had ook van Mustonen kunnen zijn! Die scherpe melodielijn, andere stemmen fluweelzacht eromheen draaiend... Waarom had ik daar niet eerder aan gedacht? En waarom voelde ik destijds bij Mustonen niet die ergernis? Is er soms iets in mij veranderd? Of is de ene stijl de andere niet, en is de afstand tussen Mustonen en Wang onmetelijk ondanks hun voorkeur voor een sterk benadrukte melodielijn?

Mijn hele project draait zich langzaam vast. We belanden in een crisis. Ik was op zoek naar de afstand tussen mij en de muziek, 'muziek van een afstand'. Ik bots nu op een spiegel en zie ineens de ontdekker, de graver, de man die wil doordringen tot de kern. Wat is het mysterie van Yuja Wang en hoe kan ik dat ontrafelen? Wil ik dan soms met die kern versmelten en verlang ik dit van deze muziek? Gesublimeerd eventueel tot graalmotief waarbij altijd staal meeklinkt, het staal van de bewerking... En dus van het smelten, versmelting als stadium van de arbeid die resulteert in gevormd staal, staal van werktuigen of wapens. Geen afstand kortom, intimiteit overal waar je kijkt, onderdompeling.

Ik draai terug naar Kant. 'Geen belang', zegt Kant, geen belang bij het bestaan van dat object. Het is er gewoon, en juist daarom kan ik er een smaakoordeel over hebben. Van een afstand. Agamben betoogt dat dit smaakoordeel in essentie hoort bij de 'mens zonder inhoud'. De muziek is verdampt. Toch zoekt Agamben steun bij Kant, en wel bij zijn mysterieuze formulering dat het bij kunst gaat om een 'doelmatigheid zonder doel'. Je bevindt je als het ware in een afstand, je doorkruist die, maar met een vrijheid die door het doel niet beperkt wordt, en de weg vrijmaakt voor andere doelen.

Het zijn opnieuw mijn oortjes die de vrijheid symboliseren van mezelf als toehoorder. Ik hoorde de muziek voordat ik las dat het Yuja Wang was. Ik lag thuis op de bank, en hoorde Prokofjev voor het eerst zonder de fantasie van het Russische bos en de grog. Ik aarzel zelfs om te zeggen dat ik deze muziek mooi vind. Mooi en subliem (erhaben), dat verschil is in de muziek na Kant betekenisloos geworden. Irritatie, nostalgie, onbestemdheid, opwinding, kalmte, er ontstaat een polyfonie van lichte emoties die niet duidelijk in een bepaalde richting wijst. Het is wellicht Prokofjev, of toch Yuja Wang. Wat maakt het ook uit.

Afbeeldingsresultaat voor prokofiev piano sonata 8 andante

zaterdag 7 september 2019

Bach, Bach, Bach

Er hangt echt zo'n sfeer op Radio 4 dat men zich geneert dat Bach zo vaak klinkt. Er is nu een Bach van de dag, met Frank de Munnik, die 'gefascineerd' is door Bach. Ja, wie niet! Er was een tijd dat we de biografie van Bach lazen, in de reeks Sonatine, waar Bach tussen de andere groten werd besproken. Toen ik die muziek verkende, bleek het gewoon een verzameling muziekjes die tussen de sprookjes op de elpee opdoken, met name uit de Tweede Suite met die beroemde Thijs-van-Leer-badinerie aan het eind. Bach had enorm veel familieleden.

Het duurde nog eigenlijk ontstellend lang, ik ben nu 57, voordat we doorkregen dat Bach de grootste was. Ik hield het lange tijd bij Beethoven, de man die altijd een meter hoger wilde dan mogelijk was. Ook omdat Beethoven alles wilde verwoesten wat ervoor kwam, met zijn wilde kop. Maar al in die genoemde Sonatine-reeks, waar Beethoven voor de uitzonderlijke pubers zoals ik werd behandeld door Hélène Nolthenius, waren we getuige van zijn reis van Bonn naar Wenen, waar hij onderweg vanwege een wielbreuk van zijn koets strandde in Ulm. Hij mocht ergens logeren en speelde er op de toevallig aanwezig zijnde piano de hele nacht het Wohltemperiertes Klavier van... ja wie ... ja van toch weer Bach.

Er zijn een paar afgeleide goden van Bach. Denk aan Glenn Gould. Alle goden verdringen zich om er op het laatste moment nog bij te mogen. Zelfs een Reinbert de Leeuw dirigeert razendsnel de Matthäuspassion om voor zijn dood nog het pantheon binnen te glippen.

Het is enorm dwangmatig. Het miskent alle briljante geesten die rondom Bach bezig waren, het miskent vooral ook de miskenning die Bach honderd jaar lang ten deel viel totdat Mendelssohn de stofwolken wegblies. Er zit dus iets onoprechts in al die Bach-verering. Het zijn de kenners, maar ook de nitwits, voor wie Bach alleen de verzamelnaam is van de hele barok en verder, die ze niet willen kennen, omdat ze niet verder willen denken dan vier letters.

Waar ik naartoe wil is dat er een verschuiving gaande is, misschien altijd al gaande was. Beethoven was het symbool van Bolkestein, van Bolkesteins Europa, en van Europa zelf, het Europese volkslied. Beethoven omvatte eigenlijk ook al Wagner en Schönberg, maar zeker ook de rock. Beethoven was Bruce Springsteen. Vernieuwing is verwoesting, zoals gezegd. Met daarnaast dus ook bij Beethoven dat wonderlijke respect voor Bach.

Daarmee komen we automatisch bij de volgende stap. Is Bach de man achter de schermen van het Beethoven-Europa? Is Bach eigenlijk wel een Europeaan? Ja, kun je zeggen, want Bach draagt het christendom over op de cultuur. Je hoeft niet gelovig te zijn om Bach mooi te vinden, maar in de Mattheüspassie vloeien geloof en cultuur probleemloos samen. Wat gelovigen mooi vonden aan de liturgie vinden ze terug in Bach. Bach maakt de eredienst overbodig.

Maar Bach mist dus wel die verwoesting. Hij kon wel boos worden. Maar hij was geen Beethoven. Hij was meer een voltooier, een eclecticus, een kopieerder, een be-amer dan een deconstructor. Hij beschikte toevallig over dat enorme genie waardoor de Franse aggréments, de Italiaanse concerto's en de Nederlandse polyfonie bij hem zijn persoonlijke stempel opgedrukt kregen. Maar je voelt aan dat het niet zijn bedoeling was die invloeden te vervangen door iets anders. Er kwam gewoon iets moois bij waardoor we die andere dingen weer meer konden bewonderen.

Hoe verklaren we dan dat zeer veel mensen, inclusief ikzelf, de neiging hebben elke minuut te vullen met Bach? Ik weet het ook niet, maar het zou kunnen dat het iets te maken heeft met het ethos van Bach. Bach zei zelf al dat je in je leven elke minuut moest gebruiken om te werken aan je dingen. Hij symboliseert ons werkethos. Werk, werk en nog eens werk. Dat is Bach, Bach en nog eens Bach.

Bach is de barok die jou wil overbluffen zoals in de barokke architectuur de façades waar je nooit weet waar ze beginnen en ophouden. Het is een en al feest, beweging, plooiing. De ene plooi roept de volgende op. Kijk naar mijn schrijfstijl, kijk naar deze blog. De ene alinea roept de andere op. Wat zou ik zijn zonder Bach?

Cabaretier Henk Elsink zei vroeger dat Bach hield van herhalen. Daarmee bedoelde hij dat Bach een hoop kinderen had (haha). Maar het is waar, Bach zit vol met herhalingstekens. De tweede keer wordt het stukje gespeeld met versieringen. En dan weer door. Het zijn dus geen kopieën zoals wij dat opvatten, in digitale zin. Eerder tegenstellingen, herhalingen, polyfonie, variaties.

Op mijn vorige blog reageerde liturgist Ad de Keyzer met een interessante toevoeging. 'Er kunnen wat mij betreft niet genoeg tegenstemmen meeklinken', zei hij. In strikte zin kan dit niet. De barok is niet de realisering van het oneindige, want de barok is eindig. Nooit ben je er zeker van of de tegenstemmen meeklinken of buiten de muziek klinken. Ergens houdt het een keer op.

Misschien is dat ook het drama van Europa, en misschien verklaart dat ook waarom Bach eigenlijk, achter Beethoven, de held van Europa is. Europa wil graag oneindig zijn. Maar omdat het dat zo graag wil, moet het ergens een streep trekken. Een hek neerzetten. Dat is het briljante (en vervelende) van Bolkestein, die aanvoelde dat Europa zich met Beethoven in feite uitspreekt tegen de islam en tegen de gamelan. Nu zijn we zo ver dat we die hele Beethoven niet meer hoeven te horen om in zijn naam die hekken neer te zetten tegen de indringers.

Bach maakt het geweld minder zichtbaar, hoorbaar. We horen volheid, pure volheid. Vrede! Er lijkt geen grens te zijn. Het waren zijn zonen die de streep trokken. Wilhelm Friedemann, Carl Philip Emmanuel, Johann Christian. Het was allemaal te vol, te veel. Een melodielijn is voldoende. Er mag een akkoordlijntje onder. Genoeg.

Daar ligt dus het verborgen verzet van Bach, achteraf bezien, en avant la lettre. Hij laat alle stemmen klinken, we krijgen er geen genoeg van. Elke minuut gebruiken. Alle grenzen worden zodoende herhalingstekens. Goed, nog één keer, nog een keer!

Afbeeldingsresultaat voor herhalingsteken

donderdag 29 augustus 2019

Bach in mijn oortjes

Al enige tijd heb ik een fetisjistische verhouding tot oortjes. Ik heb er zoveel gekocht dat ik er twee heb liggen die ik niet meer gebruik. Al een paar keer ben ik opgelucht de Mediamarkt uitgelopen zonder die koptelefoon te kopen. Daarna kocht ik hem alsnog. Het enige wat helpt is een stem van buiten die me tot de orde roept. Vorige week was een vriend zo gek (nee, zo goed) om die koptelefoon over te kopen.

Vandaag ging ik met mijn oortjes (Sennheiser) op de fiets. Ik zette de muziek pas aan toen ik overstak bij het veer van Huissen naar Loo. Bach, Wohltemperiertes Klavier I, András Schiff. Ik hoorde het preludium in C niet hard. Ik moest namelijk ook de veerman kunnen verstaan toen ik hem betaalde. De klank werd overstemd door het motorgeluid van de boot, maar ook door de oliegeur. Het preludium eindigde met een bonk. De klep raakte de kade en we waren vrij.

Maar was dit niet pure polyfonie? Ik herinnerde me een artikel van een Poolse literatuurtheoreticus, Pierette Malcuzynski. Ze beweerde dat Mahler zuiverdere polyfonie bevatte dan Bach. Bij Bach hoor je stemmen door elkaar die dezelfde melodie spelen en dezelfde klankkleur hebben. Bij Mahler hoor je zeer ongelijksoortige klanken door elkaar heen. Gehamer op een kist, harp, fluit, klokken, noem maar op.

Nog een stap verder, denk ik hierop door, en je komt vanaf Mahler bij Cage, de man die klank ook als muziek beluistert. Het motorgeronk van de veerboot beluister ik als contrapunt bij het preludium van Bach. En al eerder had Gounod zich de vrijheid genomen er een melodietje boven te schrijven, en de tekst van het Ave Maria erbij. We zijn weer anderhalve eeuw verder, en dat motorgeronk is dan misschien niet te ver gezocht.

Geluiden. Misschien kun je ook de grenzen verder uitbreiden. Ik zie een containerschip voor me uit varen. De rivier gaat traag door oneindig laagland. Ik denk aan de roman Goldberg van Bert Natter, waaruit nog de stank opstijgt van de straten van Dresden. En ik herinner me van Leipzig het Bachmuseum waar je buiten straatmuzikanten Schubert zag spelen.

Uiteindelijk passeer ik kasteel Doornenburg en hoor ik in gedachten de muziek van Floris. Maar in werkelijkheid hoor ik de prelude in e, met die sierlijke melodie en die arpeggio-akkoorden eronder. Totdat even later door de lucht zeven straaljagers passeren. De muziek duikt onder, maar herneemt zich daarna kalm. Schiff speelt de tweestemmige fuga met aangezette accenten. Het lijkt of hij die straaljagers ook heeft gehoord. In het preludium in F geeft hij sommige noten een flinke tik, alsof hij met zijn nadruk het geluid van de straaljagers bezweert.

De oortjes verbinden Bach met de buitenwereld. Je zou misschien denken dat dit alleen maar kan omdat ze het achtergrondgeluid niet dempen. Als je echt van Bach houdt, kies je voor geluidsdempende oortjes. Maar nee, die koptelefoon had een gadget, de ambient aware. Je kon een knopje indrukken en dan hoorde je juist die geluiden uit de omgeving. Dat heeft kennelijk zijn waarde. Twee gadgets, geluidsdemping en geluidswaarneming, ze heffen elkaar op en het resultaat is een gewone koptelefoon zonder gadgets. Of een tweestemmige fuga dus, een en al gadget.

Ik was een halfuur eerder op de veerboot van Pannerden naar Doornenburg gestapt. Ik las de mail van mijn vriend die de doorverkochte koptelefoon aan de praat had gekregen. Er is dus een voortgaande deling gaande. Bach plus buitenwereld plus vrienden. Die deling buigt zich weer terug naar de muziek en het is nog steeds mogelijk om klank, meldingen en muziek met elkaar in verband te brengen.

Ik fiets langs de Linge, met zijn uitbundige rietkragen, richting Huissen. Er staat behoorlijk wat tegenwind. Bach fungeert nu als achtergrondmuziek zoals bij veel documentaires. Voor ouderen, verstild. Fake, Thijs van Leer is niet ver weg. Maar de wind is sterker, en de authentieke Bach vecht zich met het preludium in Fis dapper terug. Totdat de wind zo sterk wordt dat mijn oortjes te snel uit mijn oren vallen. Nu geeft Bach het op, tijdens de fuga in fis, waar Bach met zijn repeterende en vallende nootjes theatraal zielig doet. 'Je gaat me uitzetten hè?'

Mijn oortjes zaten al die tijd in mijn lichaam, Bach zong mijn innerlijk toe vanuit mijn lichaam. Maar dankzij diezelfde oortjes liet Bach die buitenwereld toe. Bach laat zoveel toe. Hij laat zich verjazzen en verEkseptioniseren. Hij laat zich oneindig sacraliseren. En hij laat zich parodiëren. Hij laat zich onderbreken door tegenwind of door Inez die niet tegen fuga's kan als ze staat te koken.

Er zit iets dwangmatigs in Bach, met name dat ritme, met name in die fuga's. Dankzij mijn oortjes kent die dwang zijn grenzen. De oortjes vallen uit. De straaljagers vliegen over. Schiff structureert de muziek, bereidt de intrede van een nieuwe stem of een nieuw thema in een fuga voor. Hij wil Bach graag helpen als die te dwangmatig wordt. Bach zou dat zeker op prijs hebben gesteld. Hij riep graag de hulp van Jezus in bij het componeren (J.J. = Jesu juva! Jezus help!) en van zijn familie en vrienden bij het overschrijven van de orkestpartijen. Wie wil die Bach nou niet helpen?

Afbeeldingsresultaat voor bach headphones

dinsdag 9 juli 2019

Ik heb het tenminste geprobeerd - De film Whiplash

Muziek heeft iets in zich wat vraagt om het uiterste. Andrew slaat zich verrot op zijn drumstel in de film Whiplash. Hij heeft dan ook een heel goede leider. Die zegt pas aan het einde, à la Karakter, dat hij de nieuwe Charlie Parker niet wilde verhinderen. Het tegenwerken was meewerken. Dat vraagt om risico's. Je moet jongelingen durven vernederen en tegen elkaar opzetten. Niets is goed genoeg om alles eruit te halen wat erin zit. Wat je hebt gezien is de drive die je in Andrew hebt gezien.

Er is dus iets tussen muziek en opvoeding. Opvoeden wil zeggen dat je potenties ontmoet. Dat blijven potenties, als je er niet iets mee doet. Niets ermee doen wil zeggen dat je schouderklopjes geeft: 'good job!' zeg je dan. Prima gedaan. Maar prima is geen Charlie Parker. Charlie Parker stond op toen er een bekken naar zijn keel werd gegooid. Er moet bloed vloeien, anders heb je niet de doodsangst die je nodig hebt.

'Als je dood bent, heb je geen last van stress,' zegt een filosoof op het Nationale Stress Debat op Omroep Max. Je moet dus dood, leert de film Whiplash. Pas dan durf je de stress aan die je nodig hebt om te shinen.

Het geblaf van leider Fletcher roept zijn reacties en neveneffecten op, behalve doodsangst ook relativering. 'Hij is een blaffende hond, kijk er doorheen', zeggen ze tegen Andrew. Wat mij niet ombrengt maakt me sterker, het is juist de bedoeling dat we opstaan tegen de blafhond.

Intussen raakt de muziek op afstand. We zien Andrew drummen, sneller, nee sneller! Het bloed spat rond. De bandleden raken van de wap, Fletcher gaat toch even twijfelen, heeft hij er wel goed aan gedaan om Andrew zijn plaats te geven?

Ik had ooit een orgelleraar die me zijn zwarte schoenen gaf zodat ik beter bij die pedalen kon. Hij kwam in onze straat wonen om onze huisvriend te worden. Hij gaf me lessen samen met meiden die wanhopig huilden. Dat is niet vol te houden, uiteindelijk maakte deze door mij zeer geliefde man een eind aan zijn leven.

Hij had niet erg veel talent. Er is dus een verschil tussen drive en talent. Je moet een zeker tekort aan talent hebben om die drive te voelen en aan te wakkeren. Ooit moet in mij de tegenreactie begonnen zijn, zoals in de grote meerderheid van talenten die lange tijd drive voelen. Erik, twee jaar ouder dan ik, die de Pathétique snel, precies en gepassioneerd speelde, ging scheikunde studeren. Ik haakte stukje bij beetje af bij het begin van de Regendruppelprélude. Het ging om de houding, zei mijn leraar. Houding, zo begreep ik, is de houding die je inneemt nog voordat je een noot hebt gespeeld. Ik speelde een maat. Nee, zei mijn leraar, doe de eerste noten. Nee, de eerste noot. Nee, de houding.

Het komt neer op de houding. Muziek op afstand. Eerst maar eens die houding.

Afbeeldingsresultaat voor whiplash movie blood

zondag 30 juni 2019

Wat Yesterday zo uniek maakt

Een tijdje geleden hoorde ik popmusicus Diederik Nomden op de radio zeggen dat hij liedjes van de Beatles coverde. Die liedjes worden dus steeds klassieker in de zin waarin we klassieke muziek klassiek vinden. Ze hebben klasse en verdienen het om te worden uitgevoerd door mensen met liefde voor kwaliteit. Het publiek onderscheidt zich van de massa. Nomden zegt dat de speciale ambiance bevordert dat je door die muziek geraakt wordt, wat met andere popmuziek steeds moeilijker wordt.

Nu kun je deze ervaring ook weer onderbrengen in een massaproduct. Ook binnen de massa moeten er plekken zijn waarin je je min of meer moet kunnen terugtrekken, en waarin je die massa als het ware kunt zien. Dat is zeker geen nieuwe ervaring. In de klas lees ik nog af en toe brief nummer 7 van Seneca. Die vertelt aan de jonge Lucilius dat hij eens per toeval een lunchvoorstelling bezocht van een dagje met gladiatoren en over zijn nek ging van de gruwelijkheden. Seneca was de adviseur van Nero, en het is behoorlijk ongeloofwaardig dat hij zich in die brief als buitenstaander opstelt. Toch doet hij dat, misschien ook wel omdat hij wist dat zijn brieven door een enorm publiek werden gelezen. Het is dus toch te combineren, de ervaring van alleen-zijn en deel uitmaken van de massa.

Zouden we niet nog een stap verder kunnen gaan en dat alleen-zijn kunnen bezien als een kenmerk van de massa?

In de film Yesterday van Danny Boyle zingt hoofdpersoon Jack liedjes van de Beatles. Hij is na een soort kosmisch incident en een aanrijding met een bus de enige die die liedjes nog kent. Hij gaat ze zingen, en iedereen denkt dat hij ze zelf heeft geschreven. Lange tijd schiet zijn carrière als een raket omhoog, maar daarna krijgt hij - zoals dat hoort te gaan - wroeging. Viavia komt hij erachter dat John Lennon nog leeft, ergens in een huisje aan een ver strand. Die vertelt hem dat je altijd de waarheid moet vertellen. Een soort Seneca dus. John Lennon is dus het symbool waar de massa en de enkeling samenkomen. Hoe het verder afloopt, hoef ik niet te verklappen. We hebben de essentie te pakken.

Die essentie is dat muziek gepaard gaat met waarheid, op een of andere manier.
Natuurlijk, muziek spreekt rechtstreeks tot ons hart. Het is de logos van de stoïcijnen die door het heelal trekt en identiek is met onze ziel. Het maakt niet uit of het Lennon is of Jack Malik die de liedjes van de Beatles zingt. Het publiek raakt in vervoering, en het is alsof Jack zich temidden van die massa alleen tot jou richt. In die zin is er niets intiemer dan muziek. Muziek raakt ons in onze ziel.

Maar er is een ding nog sterker dan muziek, kennelijk. Dat is de waarheid van de schepper, van het genie. Die waarheid zou je kunnen bezien als een soort watermerk, iets wat verborgen blijft in het normale gebruik, maar altijd onverwacht aan het licht kan komen. Als dat gebeurt, maakt het ineens wel degelijk uit of het Jack of John is die het bedacht heeft en die het zingt. Jack verandert in één klap van singer-songwriter in een morele gids die ons in contact brengt met de enige echte Beatles.

De film Yesterday doet meer dan dat. Door de fictie en de wetten van het genre heen (het is een romantische komedie) zien we dat dit 'watermerk' zich losmaakt van de werkelijk bestaande singer-songwriter, van Jack of John, en in de song zelf zit. Agamben zou spreken van een signatura, een markering die verwijst naar een bepaalde zone van betekenis die je niet kunt verdichten tot een begrip of, zoals het watermerk, naar de juridische categorie van eigendom.

In de lessen over klassieke poëzie spreken we wel van 'de lyrische ik' om deze categorie te benoemen, en ik had een paar jaar geleden geheel toevallig (maar wat is toeval oog in oog met zoiets als een signatura?) het liedje yesterday van de Beatles genomen om dit moeilijke begrip uit te leggen, niet wetende dat Danny Boyle op dat moment zijn film aan het maken was. De 'ik' van de song drukt een stemming uit. Door die song verandert ons ik en worden we meegenomen naar iets dat nog dieper is, nog intiemer dan onze identiteit. Yesterday slaat niet op gisteren, niet op 29 juni. Het is transponeerbaar naar om het even welke datum, en op die datum denken we terug aan die dag dat onze troubles nog so far away leken. Tenminste, de troubles van John Lennon. Maar niemand weet dat nog, alleen wij weten het, doordat we het zingen of ernaar luisteren.

Het is de waarheid die een wig drijft tussen ons en de muziek, maar het is de signatura die de breuk weer kan herstellen. Er zit dus volgens Agamben een reddende, messiaanse kwaliteit in die signatura. De song brengt ons in contact met een verleden, een yesterday, waarin alles nog in orde was. Die tijd herinneren we ons niet, het is die song die ons - als een droom - laat weten hoe dat verleden was. Het yesterday is de tijd hoe - na de song en na de verwikkelingen van de liefde die we allemaal moeten doormaken - alles 'zal zijn geweest', de tijd die het Latijn grammaticaal uitdrukt met het 'futurum exactum'.

Het wordt ons helderder hoe je die ervaring van intimiteit kunt beleven midden in de massa, waarin Jack ons de liedjes van de Beatles zingt of ons vertelt dat hij ons heeft bedrogen, het zijn niet zijn liedjes. De film brengt dit bij elkaar. Elders heb ik (ook weer) Agamben gevolgd, via de uitleg van filmcriticus Janet Harbord die het filmpubliek ziet als een zwerm insecten die in volstrekte bevangenheid aan het scherm vastzit. We slurpen de waarheid, de leugen en de song met zijn signatura naar binnen zoals de wespen de honing, en ergens in ons doen ze allemaal hun werk, of wachten ze hun moment af waarop ze dat ooit kunnen doen.

Dat werk is messiaans omdat het juist gericht is op buitenwerkingstelling. In de film zou je die lijn kunnen volgen via The Summer Song, het liedje dat Jack zelf heeft bedacht, en dat geen enkel effect sorteert. Zijn manager hoort temidden van de songs dat er met dit liedje iets mis is, en stelt hem voor het uit zijn repertoire te verwijderen. Meer nog dan Yesterday symboliseert The Summer Song de onbekommerde tijd dat Jack dingen deed die schijnbaar zonder betekenis waren. Lekker hangen met zijn vrienden, vakken vullen in de supermarkt, optreden bij een festival voor anderhalve man en een paardenkop. In Yesterday horen we voortaan de 'signatura' van Jack, de schrijver van The Summer Song.

Afbeeldingsresultaat voor john lennon bed


Reiken naar de limiet - Music for a While

Muziek is georganiseerde klank. Of, nee beter, gestructureerde klank, want anders zou ook die irritante zaagmachine van onze achterburen ero...