Mijn talent is mij een raadsel. Dat ik talent had ontdekte ik vroeger in de muzieklessen. Was het ook talent voor muziek? Daar ben ik minder zeker van. Misschien kwam ik iets op het spoor dat ik voorlopig maar 'muziek van een afstand' noem. Ik speelde wel de noten, maar volgens mijn docenten lukte het me niet echt om er muziek van te maken. Het was vervolgens onhelder wat het dan wel was. Omdat ik mijn talent heb ontwikkeld in een andere richting, met name de filosofie, heb ik bedacht om beide talenten, of dus misschien wel non-talenten, op elkaar kort te sluiten. Maar eens kijken, in elke blog opnieuw, wat eruit komt, in blind vertrouwen dat het me ergens heen leidt, naar onbekende verten.
Gisteren werd het raadsel van mijn jeugd in zekere zin voor me opgelost. Met vriend Jon bezocht ik een orgelrecital van Laurens de Man in de Stevenskerk van Nijmegen. Hij speelde een beroemde fuga van Bach die ik ook ooit had gespeeld. Op mijn zeventiende mocht ik in de muziekschool van Heerlen een orgelrecital geven waar deze fuga op het programma stond. Het was de laatste fuga van Die kunst der Fuge. Die breekt af, vlak nadat Bach er een nieuw thema invoert, met de noten die overeenkomen met zijn naam, b, a, c, h. Het verhaal gaat dat Bach de fuga vlak voor zijn dood niet kon afmaken, ook gehinderd door zijn afnemend gezichtsvermogen. Ik speelde de fuga destijds tot de laatste bekende noot, mij beviel die dramatiek wel.
De Man speelde de fuga wel helemaal. Hij volgde de theorie van Kees van Houten, die een andere verklaring voor de niet-voltooiing gaf (zie hier een korte omschrijving van zijn boek hierover). Bach zou zijn reeks fuga's hebben willen inleveren bij de Societät der musikalischen Wissenschaften, waarvan hij sinds 1747 lid was. De leden keken er naar muziek vanuit het fenomeen 'raadsel', een belangrijk element in de filosofie van de mysterieschool van Pythagoras. En zo zitten we dus ook hier met een mengsel van muziek en filosofie. De voltooiing van Contrapunctus XIV door Van Houten volgt niet, zoals de meeste eerdere pogingen door anderen, de fantasie van de componist, maar de logische analyse van wat Bach zelf heeft geschreven.
Er is weinig reden om de symbolische betekenis van wat er gisteren gebeurde te onderschatten. De Man speelde een voltooide versie van een stuk dat ik op mijn zeventiende als onvoltooide versie speelde. Het leek alsof De Man voltooide wat ik op mijn zeventiende had afgebroken, en zei: Anton, je kunt dingen wel afbreken, maar dan is het een raadsel, en raadsels kunnen worden opgelost. En wel door het raadsel goed te bestuderen. De oplossing van het raadsel ligt in het raadsel zelf geborgen.
Extra mooi was het dat ik, na een zetje van Jon, mijn ervaring met De Man kon delen. Die wees me op het boek van Van Houten. En extra mooi was het dat hij verwees naar een boek dat ik kende, Bach en het getal, van Van Houten en Marinus Kasbergen. Ik herinnerde me deze mannen van de paar lessen die ik van hen had toen ik een paar maanden conservatorium in Tilburg volgde. Bach verwerkte in de structuur van zijn muziek getallen waaraan hij symbolische betekenis toekende. Gevoegd bij de betekenis van letters kon je in de opbouw van sommige stukken het getal 14 terugvinden, de optelsom van B (2), A(1), C (3) en H (8). De Man vertelde dat hij zelf enthousiast was over dat boek. Het heeft dan voor mij ook meteen betekenis dat hij dezelfde achternaam had als mijn docent schooldidactiek van destijds, Cor de Man. Misschien familie, maar voor mij ongetwijfeld in symbolisch opzicht.
Dit soort samenhangen heeft het voordeel dat het onmiddellijke bevrediging geeft. Wat is toeval wanneer zich zo'n duidelijke ordening opdringt vanuit de gegevens? Beschermt ons deze ordening niet tegen de dreiging en de gevaren van het toeval? Of moeten we het anders zien, en leveren we ons met deze ordening niet uit aan de acceptatie van het toeval door er dicht tegenaan te gaan hangen? Hoe we deze zaken ook wegen, het is altijd geweldig als je leven zin lijkt te hebben. Er was iets afgebroken, maar nu is het alsnog voltooid.
Nu wil ik nog een stapje verder zetten. In mijn filosofie heb ik me beziggehouden met Plato, Agamben, Severino. In verband met muziek heb ik Agamben een paar jaar geleden uitgebreid verkend (zie hier mijn blogserie). Gisteren bij het concert moest ik vooral denken aan Michel Serres, die gefascineerd is door lawaai (bruit). Hij wilde ooit componist worden, werd filosoof, en verloor zijn belangstelling voor muziek (hier een blog over zijn muziekboek, en hier over zijn visie op lawaai). Gisteren ervoer ik hoe muziek en lawaai elkaar dicht kunnen naderen, in elkaar overvloeien. Of dat zo bedoeld was weet ik niet. Maar het klonk wel zo. Als De Man met zijn assistent de luidere registers opentrok (tongpijpen, sorry voor deze term), klonk er in de kerk een schelle metalige bijklank. Ook bleef er weinig over van de polyfonie. De tonen en melodieën waren niet meer afzonderlijk te horen.
De Man zei na afloop dat dit orgel in de Stevenskerk bekend stond om dit klankeffect. Je kunt het betreuren, maar ik zie denkelijk kans het op te vatten in positieve zin. Er kwam iets naar buiten van de muziek van Bach zelf, wat zo ongeveer dwars ingaat tegen die orde. Het is alsof de muziek zegt, of liever schreeuwt: je kunt me wel vangen in getallen, of in emoties, maar ik brul iets in je oren wat ertoe doet, en dat zul je weten ook! Zo gezegd lijkt het alsof de muziek alsnog een boodschap bevat, de boodschap dat ze de wereld weerspiegelt, met zijn wanorde en tegenspraken. De boodschap dus ook dat de wereld kan worden gespiegeld, zijn dubbelganger bevat, en dat het lawaai zodoende alsnog muziek is, orde in de wanorde, Apollo in Dionysus.
Hoe ver gaan de spiegelingen van Die Kunst der Fuge? De Man speelde ook Contrapunctus IV, met een viervoetsregister (alles klinkt zo een octaaf hoger). De hoofdmelodie wordt er in een gespiegelde versie gegeven. Door de hoge klank wordt duidelijker het tegenmotief hoorbaar, de koekoek (waarop De Man in zijn inleiding ook al had gewezen). De koekoek legt zijn ei in een vreemd nest. In dit geval is het koekoekmotief deel van de hoofdmelodie (in de niet-gespiegelde versie) dat zich eruit heeft losgemaakt en een eigen rol speelt. Er zijn spiegelingen, tegenmotieven die worden gespiegeld, vreemde elementen die als vertrouwd klinken en andersom. Contrapunctus XIV wordt voltooid door eigen elementen te gebruiken, waardoor Bach ('Bach') in zichzelf wordt gespiegeld. De Man wordt weerspiegeld op het videoscherm zodat we op onze manier met zijn allen 'Bach rond de speeltafel' beleven (concerten waarbij je bij de organist mag zitten).
Met alle spiegelingen en met de koekoek, met Bach rond de speeltafel en met het lawaai, verdwijnt de afstand. Muziek (of lawaai) doordringt ons helemaal. We worden helemaal muziek, of ontdekken dat we dat altijd al waren. Pythagoras: muziek is het verbindende element tussen de wereld en de getalsorde, octavering bewijst dat een dubbel aantal geluidstrillingen exact een octaaf hoger representeert.
Met het verdwijnen van de afstand ontstaat de mogelijkheid muziek van een afstand anders op te vatten. Op een bepaalde manier geeft het niet of er afstand is, of het wel muziek is wat we horen of spelen. Met elke verkleining van afstand vergroot ook de afstand: de techniek maakt de muziek complexer, Bachs zonen, mijn vriend Jon en mijn vrouw Inez haken af bij de fuga's. Elke vergroting van de afstand verkleint ook weer de afstand. Toen ik destijds de fuga speelde, zeiden mijn familie en vrienden: die muziek sprak ons niet aan, maar het was mooi om te zien hoe je erin opging. Het is troostvol om te zien, denk ik, hoop ik, dat er ergens wezens zijn die in overeenstemming zijn met zichzelf, die genieten van hun spiegelingen.
Zo luisteren we in deze vakantie naar de kinderen die op het veldje hiernaast voetballen. Urenlang klinkt er gegil, het is verwonderlijk hoe hun kelen dit zo lang volhouden. Het is lawaai, ja, maar er schuilt geen kwaad in, het wekt bijna onze afgunst, ik ben weer even die jongen op dat orgel.
| Fanja Bouts, Landschappen die terugkijken |
