vrijdag 14 augustus 2026

Gemekker der veertienjarigen - De muziekles van Pascal Quignard

Weer heb ik een bondgenoot gevonden in mijn zoektocht naar muziek van een afstand. In essays van Pascal Quignard kom ik de idee tegen dat muziek te maken heeft met het breken van de stem bij jongens. Ze verliezen hun stem en krijgen er een andere voor in de plaats, een stem die lager en somberder is. Vrouwen hebben daar geen last van. Pas veel later, in de menopauze, gebeurt er iets met hun stem, maar ze kunnen heel lang doorgaan met de stem die ze hadden. Als mannen zingen, staan ze voor de keuze om de kinderstem te imiteren (kopstem), of iets te doen met hun mannenstem.

Quignard spreekt van verlies, jongens verliezen hun stem. Nu zit er bij de filosofen die ik volg de tendens om de negatie naar de achtergrond te schuiven of zelfs te ontkennen. Lees bijvoorbeeld deze blog, waarin ik Bachtin en Agamben situeer ten opzichte van de negatie, waarvan Hegel de meest uitgesproken vertegenwoordiger is. Het draait er allemaal om de stem, de stem van het dier en de menselijke stem. Agamben ziet de filosofie als een soort taal waarin de stem tot stilte is gebracht, en dus geen stem meer is. Maar ook bij hem verhoudt de stem zich lange tijd tot de infanzia, het (nog) niet kunnen spreken van het kind dat bij de volwassenen voorondersteld blijft. Het lijkt dus bij Agamben er andersom aan toe te gaan dan bij Quignard. Bij Agamben is er eerst de stemloosheid, daarna het spreken. Bij Quignard is er eerst de stem, daarna het verlies. Hoe dan ook, er is altijd verschil, afstand.

Die afstand hoeven we niet per se op te vatten als negatie. Het kan ook zijn dat we het spreken of zingen kunnen zien als herstel van iets negatiefs dat erbuiten plaatsvindt. Zo volgde ik Agamben in zijn idee dat de filosofie voortkomt uit de muziek, zoals de oude Grieken dachten. Vanwege die band met muziek is filosofie in staat om de plaats van muziek te herstellen als die schade lijdt:

'Philosophy is today possible only as a reformation of music. If we call music the experience of the Muse, dat is, of the origins and the taking place of the word, then in a given society and at a given time music expresses and governs the relation humans have with the event of the word. In fact, this event - that is, the arche-event that constitutes humans as speaking beings - cannot be said within language: it can only be evoked and reminisced museically or musically.' (What is Philosophy, p.88)

Om de schade te herstellen moet filosofie dus op zijn beurt weer terugvallen op muziek. Het belangrijkste dat filosofie te zeggen heeft is dat niet alles in taal te zeggen is. Het belangrijkste kan alleen in muziek worden uitgedrukt.

De afstand van de  muziek - bedoeld wordt de afstand tot de taal - moeten we dus niet opvatten als negatie. In de taal verhouden we ons altijd in positieve zin tot de muziek, omdat daar de oorsprong van de taal in gelegen is. We kunnen wel zeggen dat die muziek er niet toe doet, maar dan zijn we al aan het spreken, en spreken we onszelf in feite tegen, we spreken de muzikaliteit van onze taal tegen die er niettemin aan ten grondslag blijft liggen.

Pascal Quignard lijkt ons in zijn essays blijkens hun titel, La leçon de musique (Hachette, 1987) te willen vertellen wat de essentie van muziek is. Maar in het derde essay vertelt hij een Chinees verhaal, waar de muziekleraar zijn student meeneemt naar zijn eigen leraar. Ze stappen in een bootje en meren ergens aan. De leraar vraagt zijn leerling te wachten totdat hij terugkomt met die eigen leraar. Tien dagen later is hij nog steeds niet terug. De leerling heeft honger en wordt bang. Hij hoort alleen de zee en de vogels, hij zucht en zegt dan: 'Voilà la leçon du maître de mon maître!' Hij speelt op zijn gitaar en huilt. Alleen de klanken waren zijn tranen.

Ik heb iets soortgelijks meegemaakt toen ik mijn blogserie over Agamben en de muziek schreef (zie hier). Vooraf dacht ik nog dat ik in staat was daarover een boek te schrijven en te publiceren. Mijn route leidde naar teksten over depressie, tranen en eenzaamheid. Op een bepaalde manier begreep ik misschien niet wat muziek was, maar wel wat mijn muziek was, mijn manier om te schrijven over muziek. Het voelt een beetje als zen. Je meester geeft je een opdracht, en als je eraan voldaan hebt, zeggen ze dat het geen muziek is. Zo zetten ze je in beweging om iets positiefs te ontdekken, iets waarvoor die depressie, tranen en eenzaamheid nodig waren. Pas als je erop terugkijkt kun je zien dat het geen verlies was, maar iets positiefs.

Alle drie de essays van Quignard zijn boeiend en leerzaam. Het eerste gaat over de Franse componist Marin Marais (1656-1728). Marais was koorknaap totdat zijn stem brak en hij uit het koor werd gegooid. Daarna trad hij in de leer bij Sainte-Colombe, bespeler van de viola da gamba. Marais kiest daarmee voor de tweede optie. Waar het ook mogelijk was om zich te laten castreren, of om met een viool of als countertenor zijn hoge stem te behouden of imiteren, legt Marais zich toe op de imitatie met de viola da gamba van de donkere mannenstem. Wat hij doet noemt Quignard 'domestiquer la mue', het domesticeren van de rui, van het breken van de stem. Feitelijk maakt hij die stem daarmee tot iets positiefs.

Elders drukt Quignard het in nog radicalere bewoordingen uit: 'La musique, c'est un corrigé de temps plus ou moins revenant.' (p. 67). De tijd keert in de muziek terug naar zijn eigen oorsprong, en verraadt zich daarmee zelf als verlies van de tijd. Daarmee naderen we de radicale filosofie van Emanuele Severino, die stelt dat tijd er niet is (zie deze blog). Als we 'verlies van de tijd' zeggen, ervaren we niet die negatie, of althans niet als iets negatiefs, het verandert integendeel emoties als nostalgie in iets wenselijks, iets positiefs. 

Het tweede essay gaat over Aristoteles. Dat is toevallig ook de hoofdpersoon van Agamben als hij zijn hervormingsproject van de muziek voorstelt. Aristoteles ziet in zijn politieke filosofie voor de muziek een sleutelrol weggelegd, omdat je er vat mee hebt op de ziel van jongeren. De filosofie van Aristoteles zou je in zijn geheel kunnen zien als 'la leçon de musique'. Maar er ligt hier wel een addertje onder het gras. Aristoteles baseert zijn filosofie volgens Agamben voor een niet onbelangrijk deel op negatie, doordat hij materie als afwezigheid van vorm definieert. Maar nu we Quignard volgen, kunnen we de muziekles misschien zelf in meer muzikale termen opvatten, en komen we dichter bij zijn uitleg van muziek vanuit de gebroken stem.

In zijn History of Animals schrijft Aristoteles over het breken van de stem bij jongens van veertien: 'Dat noemen ze mekkeren' (ὅ καλοῦσι τραγίζειν, Geschiedenis der dieren, VII, 1, 581a). Voor Quignard vormt dit voldoende aanleiding om een verband te leggen met de tragedie, wat letterlijk 'bokkenzang' betekent, wetende hoe groot de interesse van Aristoteles in tragedies was. De tragedies werden in Athene in het voorjaar opgevoerd, de tijd waarin dieren van huid wisselen, de tijd van de rui en van het offer. Komen we nu toch weer uit bij de negatie, in de zin van het offer? Is het gemekker van de geit, waarnaar de tragedies zijn genoemd, de kreet van het dier dat wordt geslacht?

Nee, want als Aristoteles houdt van tragedies, dan doet hij dat als geïnteresseerde wetenschapper. De realiteit was voor Aristoteles niet iets negatiefs. De dood bestaat in zekere zin niet, in zijn wereld. Als hij sterft, zegt Quignard, dan sterft de zoöloog. Hij laat daarmee de stem achter zich. Zijn dood is een nieuwe rui, de tweede, en dan een waarbij hij zijn gebroken stem achter zich laat. Hij verandert in stilte en versteent.

Je zou dit ook zo kunnen verwoorden: met hun gebroken stem zijn jongens in staat om zich tot muziek te verhouden als iets dat niet vanzelf tot hun beschikking staat. Ze moeten die verhouding verwerven in de muziekles, in de les waarin ze zich hun stem eigen maken. Zo gezegd, lijkt de visie van Quignard een beetje seksistisch. Zijn vrouwen niet in staat om muziek te leren omdat ze altijd al eigen zijn en blijven in de muziek? Komt hier toch een gebrek aan het licht, ook al wordt het zo complimenteus verwoord?

Misschien ligt het er maar aan hoe positief je dat leerproces vindt. Natuurlijk zijn vrouwen in staat om muziek te leren, door hun stem als het ware te verliezen en zich die opnieuw eigen te maken. Bovendien verandert hun stem in de menopauze, en ligt de weg open voor een boek over muziekles, maar dan geschreven vanuit de vrouw. Maar ook vanuit de optiek van Quignard is er denk ik ruimte om de stand van zaken anders te duiden. De vrouw raakt haar stem niet kwijt, dat is wat telt. Ze kan vertrouwen op haar stem. Misschien moeten we het leerproces zien als iets secundairs, als een kans waarmee mannen iets kunnen naderen wat er bij vrouwen altijd al is. Misschien is het eigene er in essentie al, en berust de idee van verlies en toeëigening op een misverstand, de idee dat we iets niet zouden hebben. Of dat we het zouden hebben, en het verlies opvoeren als de bijzondere vorm van dat bezit.

Ik denk weer terug aan mijn zangleraar op het conservatorium. Hij gaf het na een paar maanden op met mij om me te leren zingen. Eerst maar eens Rilke declameren: 'Wer wenn ich schriee hörte mich denn aus der Engel Ordnungen?' Bij het schreeuwen of huilen kunnen we misschien ook denken aan mekkeren, blaten. De engelen horen ons niet, ze horen niet alles als muziek, klank is voor hen herrie. Daarom zijn die engelen ook zo verschrikkelijk: 'Jeder Engel ist schrecklich.'

Het declameren lukt me nog steeds niet, maar inmiddels ligt er wel weer een blog. Dat dan weer wel. Op mijn manier toch een muziekles.



woensdag 29 juli 2026

Afstand nul en oneindig - Laurens de Man speelt de voltooide Bach

Mijn talent is mij een raadsel. Dat ik talent had ontdekte ik vroeger in de muzieklessen. Was het ook talent voor muziek? Daar ben ik minder zeker van. Misschien kwam ik iets op het spoor dat ik voorlopig maar 'muziek van een afstand' noem. Ik speelde wel de noten, maar volgens mijn docenten lukte het me niet echt om er muziek van te maken. Het was vervolgens onhelder wat het dan wel was. Omdat ik mijn talent heb ontwikkeld in een andere richting, met name de filosofie, heb ik bedacht om beide talenten, of dus misschien wel non-talenten, op elkaar kort te sluiten. Maar eens kijken, in elke blog opnieuw, wat eruit komt, in blind vertrouwen dat het me ergens heen leidt, naar onbekende verten.

Gisteren werd het raadsel van mijn jeugd in zekere zin voor me opgelost. Met vriend Jon bezocht ik een orgelrecital van Laurens de Man in de Stevenskerk van Nijmegen. Hij speelde een beroemde fuga van Bach die ik ook ooit had gespeeld. Op mijn zeventiende mocht ik in de muziekschool van Heerlen een orgelrecital geven waar deze fuga op het programma stond. Het was de laatste fuga van Die kunst der Fuge. Die breekt af, vlak nadat Bach er een nieuw thema invoert, met de noten die overeenkomen met zijn naam, b, a, c, h. Het verhaal gaat dat Bach de fuga vlak voor zijn dood niet kon afmaken, ook gehinderd door zijn afnemend gezichtsvermogen. Ik speelde de fuga destijds tot de laatste bekende noot, mij beviel die dramatiek wel.

De Man speelde de fuga wel helemaal. Hij volgde de theorie van Kees van Houten, die een andere verklaring voor de niet-voltooiing gaf (zie hier een korte omschrijving van zijn boek hierover). Bach zou zijn reeks fuga's hebben willen inleveren bij de Societät der musikalischen Wissenschaften, waarvan hij sinds 1747 lid was. De leden keken er naar muziek vanuit het fenomeen 'raadsel', een belangrijk element in de filosofie van de mysterieschool van Pythagoras. En zo zitten we dus ook hier met een mengsel van muziek en filosofie. De voltooiing van Contrapunctus XIV door Van Houten volgt niet, zoals de meeste eerdere pogingen door anderen, de fantasie van de componist, maar de logische analyse van wat Bach zelf heeft geschreven.

Er is weinig reden om de symbolische betekenis van wat er gisteren gebeurde te onderschatten. De Man speelde een voltooide versie van een stuk dat ik op mijn zeventiende als onvoltooide versie speelde. Het leek alsof De Man voltooide wat ik op mijn zeventiende had afgebroken, en zei: Anton, je kunt dingen wel afbreken, maar dan is het een raadsel, en raadsels kunnen worden opgelost. En wel door het raadsel goed te bestuderen. De oplossing van het raadsel ligt in het raadsel zelf geborgen.

Extra mooi was het dat ik, na een zetje van Jon, mijn ervaring met De Man kon delen. Die wees me op het boek van Van Houten. En extra mooi was het dat hij verwees naar een boek dat ik kende, Bach en het getal, van Van Houten en Marinus Kasbergen. Ik herinnerde me deze mannen van de paar lessen die ik van hen had toen ik een paar maanden conservatorium in Tilburg volgde. Bach verwerkte in de structuur van zijn muziek getallen waaraan hij symbolische betekenis toekende. Gevoegd bij de betekenis van letters kon je in de opbouw van sommige stukken het getal 14 terugvinden, de optelsom van B (2), A(1), C (3) en H (8). De Man vertelde dat hij zelf enthousiast was over dat boek. Het heeft dan voor mij ook meteen betekenis dat hij dezelfde achternaam had als mijn docent schooldidactiek van destijds, Cor de Man. Misschien familie, maar voor mij ongetwijfeld in symbolisch opzicht.

Dit soort samenhangen heeft het voordeel dat het onmiddellijke bevrediging geeft. Wat is toeval wanneer zich zo'n duidelijke ordening opdringt vanuit de gegevens? Beschermt ons deze ordening niet tegen de dreiging en de gevaren van het toeval? Of moeten we het anders zien, en leveren we ons met deze ordening uit aan de acceptatie van het toeval door er dicht tegenaan te gaan hangen? Hoe we deze zaken ook wegen, het is altijd geweldig als je leven zin lijkt te hebben. Er was iets afgebroken, maar nu is het alsnog voltooid.

Nu wil ik nog een stapje verder zetten. In mijn filosofie heb ik me beziggehouden met Plato, Agamben, Severino. In verband met muziek heb ik Agamben een paar jaar geleden uitgebreid verkend (zie hier mijn blogserie). Gisteren bij het concert moest ik vooral denken aan Michel Serres, die gefascineerd is door lawaai (bruit). Hij wilde ooit componist worden, werd filosoof, en verloor zijn belangstelling voor muziek (hier een blog over zijn muziekboek, en hier over zijn visie op lawaai). Gisteren ervoer ik hoe muziek en lawaai elkaar dicht kunnen naderen, in elkaar overvloeien. Of dat zo bedoeld was weet ik niet. Maar het klonk wel zo. Als De Man met zijn assistent de luidere registers opentrok (tongpijpen, sorry voor deze term), klonk er in de kerk een schelle metalige bijklank. Ook bleef er weinig over van de polyfonie. De tonen en melodieën waren niet meer afzonderlijk te horen.

De Man zei na afloop dat dit orgel in de Stevenskerk bekend stond om dit klankeffect. Je kunt het betreuren, maar ik zie denkelijk kans het op te vatten in positieve zin. Er kwam iets naar buiten van de muziek van Bach zelf, wat zo ongeveer dwars ingaat tegen die orde. Het is alsof de muziek zegt, of liever schreeuwt: je kunt me wel vangen in getallen, of in emoties, maar ik brul iets in je oren wat ertoe doet, en dat zul je weten ook! Zo gezegd lijkt het alsof de muziek alsnog een boodschap bevat, de boodschap dat ze de wereld weerspiegelt, met zijn wanorde en tegenspraken. De boodschap dus ook dat de wereld kan worden gespiegeld, zijn dubbelganger bevat, en dat het lawaai zodoende alsnog muziek is, orde in de wanorde, Apollo in Dionysus.

Hoe ver gaan de spiegelingen van Die Kunst der Fuge? De Man speelde ook Contrapunctus IV, met een viervoetsregister (alles klinkt zo een octaaf hoger). De hoofdmelodie wordt er in een gespiegelde versie gegeven. Door de hoge klank wordt duidelijker het tegenmotief hoorbaar, de koekoek (waarop De Man in zijn inleiding ook al had gewezen). De koekoek legt zijn ei in een vreemd nest. In dit geval is het koekoekmotief deel van de hoofdmelodie (in de niet-gespiegelde versie) dat zich eruit heeft losgemaakt en een eigen rol speelt. Er zijn spiegelingen, tegenmotieven die worden gespiegeld, vreemde elementen die als vertrouwd klinken en andersom. Contrapunctus XIV wordt voltooid door eigen elementen te gebruiken, waardoor Bach ('Bach') in zichzelf wordt gespiegeld. De Man wordt weerspiegeld op het videoscherm zodat we op onze manier met zijn allen 'Bach rond de speeltafel' beleven (concerten waarbij je bij de organist mag zitten).

Met alle spiegelingen en met de koekoek, met Bach rond de speeltafel en met het lawaai, verdwijnt de afstand. Muziek (of lawaai) doordringt ons helemaal. We worden helemaal muziek, of ontdekken dat we dat altijd al waren. Pythagoras: muziek is het verbindende element tussen de wereld en de getalsorde, octavering bewijst dat een dubbel aantal geluidstrillingen exact een octaaf hoger representeert.

Met het verdwijnen van de afstand ontstaat de mogelijkheid muziek van een afstand anders op te vatten. Op een bepaalde manier geeft het niet of er afstand is, of het wel muziek is wat we horen of spelen. Met elke verkleining van afstand vergroot ook de afstand: de techniek maakt de muziek complexer, Bachs zonen, mijn vriend Jon en mijn vrouw Inez haken af bij de fuga's. Elke vergroting van de afstand verkleint ook weer de afstand. Toen ik destijds de fuga speelde, zeiden mijn familie en vrienden: die muziek sprak ons niet aan, maar het was mooi om te zien hoe je erin opging. Het is troostvol om te zien, denk ik, hoop ik, dat er ergens wezens zijn die in overeenstemming zijn met zichzelf, die genieten van hun spiegelingen.

Zo luisteren we in deze vakantie naar de kinderen die op het veldje hiernaast voetballen. Urenlang klinkt er gegil, het is verwonderlijk hoe hun kelen dit zo lang volhouden. Het is lawaai, ja, maar er schuilt geen kwaad in, het wekt bijna onze afgunst, ik ben weer even die jongen op dat orgel.

Fanja Bouts, Landschappen die terugkijken


zaterdag 13 juni 2026

De meeslepende muziek van Bert Natter

Iets kan doordenderen zonder je te raken. Daarmee wordt doordenderende muziek een vorm van muziek op afstand. Muziek wordt dan in feite een instrument. Je kunt haar gebruiken voor politieke doelen, als propagandamiddel. Iets in die muziek, zeg maar het doordenderende ervan, lijkt het van je over te nemen, zodat politiek, met een omschrijving die ik bij Benjamin en Agamben tegenkwam, 'gebruik van middelen zonder doel' wordt. Je zet het wel in voor een doel, maar de muziek sleept je mee naar iets dat eerder lijkt op chaos.

Of wellicht ook - met een term van filosoof Michel Serres - bruit, lawaai, geluid. De vorm is minder van belang dan het schijnbaar destructieve, 'dionysische' van de muziek. Het is uitermate knap dat Beethoven lawaai kon omzetten in vorm, een plan dat tot in de kleinste details klopte. Maar daarmee brengt hij ons in verbinding met wat zowel a-muziek is als de ultieme essentie van muziek, het ritme van het leven zelf. Beroemd is het verhaal van Ferdinand Ries, die met zijn leraar Beethoven door het bos wandelde. Beethoven bromde en zong urenlang, meer gebrom dan gezang, zonder bepaalde tonen te zingen. Thuisgekomen werkte hij aan zijn beroemde pianosonate Appassionata

Gisteren had ik zo'n ervaring bij de groep Het Linnaeus Trio, die muziektheater bracht, met liederen die gerelateerd waren aan water. Ook alweer zo'n thema dat we bij Serres tegenkomen, het water waarop de cultuur is gegrondvest, en dat we in Nederland kennen als vriend en vijand. De plaats waar dit zich afspeelde was extreem betekenisvol, in de voormalige steenfabriek in uiterwaardenpark Meinerswijk bij ons Arnhem, op de Rijnoever. De musici speelden en zongen met hun rug naar het water, dat wij van binnenuit door de ramen konden zien. Om de vijf minuten denderde er een trein over de nabije spoorbrug. Er wandelden, renden en reden mensen voorbij die elk moment de voorstelling konden verstoren. De hele omgeving was een vriend die ineens vijand kon worden. Het weer werkte mee. De voorstelling zou buiten gespeeld worden, maar het kon gaan regenen, en daarom zaten we binnen.

Muziek horen we soms als een snelle rivier, als iets wat je ineens meesleept. Die ervaring heb ik nu bij Aan het einde van de oorlog, de Librisprijs winnende roman van Bert Natter, over het concentratiekamp waar het zoontje van de (plaatsvervangend) kampleider vermist raakt. Toevallig is dat wel op de verjaardag van Hitler, vlak voor de ondergang van het kamp en het Derde Rijk, het gebulder van de naderende Russen is al hoorbaar. Maar de kampleider heeft talent, hij speelt die avond de sonate pathétique van Beethoven. Dat doet hij ook nog best goed. Alleen komt hij niet meer toe aan het derde deel, het rondo, zodat de sonate ineens een van de vele torso's lijkt, zoals de sonate opus 111, die weer een sleutelrol speelt in een andere recente Nederlandse roman, Otmars zonen van Buwalda.

Het is nooit makkelijk om over muziek te schrijven. Liever dan schrijven over iets wil je iets schrijven wat zelf muziek lijkt, niet zomaar muziek, maar deze muziek. Tot op zekere hoogte kun je de roman van Natter lezen als de Pathétique, iets wat je meesleept. Zo wordt er ook weer door de recensenten over deze roman geschreven, zodat het besmettelijke karakter van de muziek gaat opvallen. Meeslepend, maar dus niet per se iets dat je raakt. Je hoopt dat er iets van verzet in de mens huist, iets wat zich niet laat besmetten door die demonische verbinding tussen verheven muziek en walgelijke destructie.

In de roman van Natter zie ik dat verzet belichaamd in Menachem Farkas, de Joodse gevangene die in zijn voormalige leven beroepsmusicus was en nu tuba speelt in het kamporkest. Hij mag de piano stemmen waarop de plaatsvervangend kampleider Karl die avond speelt en is bij de uitvoering erbij. Het is voor hem enorm teleurstellend dat Karl zo goed speelt. Toch ziet hij een lichtpuntje:

'Zijn enige troost is dat deze muziek niet over dat mannetje met de pet aan het klavier gaat, maar over hem, Menachem Farkas.' (p.223)

Muziek heeft niet een duidelijke bestemming, en juist daarom kan iedereen denken dat hij de adressant is. Daarmee in verband staat de ervaring van de pianist zelf. Hij voert de sonate uit met de bedoeling dat ze de 'sterke wil van de Germaanse ziel' belichaamt, maar nu klinkt ze als 'de noodlottige zwanenzang van het Duitse volk'. De muziek neemt het van hem over terwijl hij zit te spelen, en daarmee gaan dus ook de betekenissen schuiven. Karl realiseert zich dat de noten parels voor de zwijnen zijn. De nazi's zijn toch meer mannen van de daad, van de hoeren en de fles. De edele intenties van Beethoven zijn aan hen niet besteed.

Natter is duidelijk op zoek naar het menselijke in een onmenselijke omgeving. Het zou er kunnen ontstaan, en de muziek heeft er een belangrijke rol in. Denk terug aan zijn roman Goldberg, waar we de as van het vernietigingskamp al geprefigureerd zien. Humaniteit heeft te maken met vergankelijkheid, er blijft niets over van de grote Duitse droom, en als we dat met elkaar kunnen delen kunnen er kansen ontstaan voor menselijkheid.

Maar we hadden het over muziek. Muziek is niet per se het symbool van vergankelijkheid. Is het überhaupt wel een symbool, is het niet eerder die rivier die ons meesleept? Ik heb de roman nog niet uit, maar zie al wel twee dingen die met elkaar in strijd lijken. Aan de ene kant kun je muziek niet echt thematiseren. Natter geeft nauwelijks een beschrijving van de muziek. Daardoor lijkt de muziek te versmallen tot een symbool. Aan de andere kant schrijft hij zelf meeslepend, en brengt hij de werking van de muziek over naar de taal. Daardoor raakt de symbolische betekenis van de taal op drift, we weten niet meer of dit verhaal ons iets te melden heeft, en zelfs of het iets hogers vertegenwoordigt of niet.

Omdat we muziek zo graag vereenzelvigen met iets dat ons raakt, als de stem van de edele ziel in ons, of het gezang der engelen, vinden we het moeilijk om muziek tegen te komen in de gedaante van cultuursymbool, met slechts iconische waarde. De Beethovensonate als hogere cultuurvorm die bezoedeld wordt door de nazi's (en door Lenin, met name die andere sonate, de Appassionata).

Daarom is tot op zekere hoogte ook het gebaar van afwending passend bij deze muziek. Aan de ene kant is er Menachem, die de richting van de muziek afwendt van de nazi's naar zichzelf. Aan de andere kant zien we ook weer de afwending van kamparts Lance, die walgelijke medische experimenten met de gevangenen uitvoert. Alle pianostukken klinken voor hem hetzelfde. Hij wordt er alleen maar nerveus van:

 'Lance vond orkestmuziek nog te doen, maar bij piano wilde hij het liefst wegrennen en dat doet hij nu ook. Hij heeft wel wat belangrijkers aan zijn hoofd dan dit gepingel. Zijn patiënten die dood moeten, bijvoorbeeld. Zijn onderzoek. Hij loopt de zaal uit.' (p.224)

Misschien heeft deze ervaring van afwending iets te maken met de eenzaamheid van de klassieke pianist, die zowel expressie van een ervaring is als een theatrale pose. Ik verkende deze ervaring - zoals ik al eens verteld heb in mijn blogs - als puber bij een uitvoering op school, waar ik de atonale Variationen van Webern speelde, tegen de onverschillige groeiende herrie van het leerlingenpubliek in, en daardoor ook de muziek van Webern reducerend tot die herrie. Het is moeilijk te verteren dat ik deze ervaring nu blijk te delen met de kampcommandant. Maar het is hoogstwaarschijnlijk wel een ervaring die we nodig hebben om ons laatste restje humanisme nog te kunnen opdelven uit de snelstromende rivieren van de geschiedenis.

 



zaterdag 10 januari 2026

Is klank muziek of stilte? - Wat mij raakte bij Theo van den Bogaard

Politiek is drama. Iets wordt pas politiek wanneer je doorkrijgt dat er partijen tegenover elkaar staan en elkaar bevechten. Dat is aanstekelijk, je krijgt zin om mee te vechten. Daarom is muziek een prima middel om het drama te versterken. Je laat je lekker opzwepen. Dit verklaart ook waarom muziek tegelijk verzoenend kan werken. Je laat je in je enthousiasme opnemen in de massa of groep, je voelt onmiddellijk contact met gelijkgestemden. En die heten niet voor niets gelijkgestemden, ze staan in contact met jou via de muziek.

Akelig wordt deze ervaring wanneer je door die muziek ineens gelijkgestemd bent met bijvoorbeeld Hitler. Die nazi's hielden erg van klassieke muziek waar ik ook van houd. Het gaat niet alleen om Wagner, ook om Mozart, Beethoven, Schumann en Brahms. Misschien ook daarom had ik al vroeg door dat ik afstand moest houden tot de muziek. En als ik afstand voelde tot de muziek, moest ik dat niet alleen maar zien als een tekortkoming. Muziek is besmettend, en besmet. Het is niet altijd goed als je geraakt wordt. Nazi's huilden graag en veel.

Een van de zaken die me raakte bij het lezen van Klank! van Theo van den Bogaard was zijn stuk over 'seksisme en censuur', over vrouwelijke componisten. Henriëtte Bosmans (1895-1952) had enorm veel talent. Maar volgens Van den Bogaard had ze een nog veel grotere componiste kunnen zijn. Een belangrijke reden dat ze dat niet werd is dat ze de toonaangevende dirigenten en instanties niet benaderde. Daarvoor was ze te introvert, en misschien speelde ook mee dat ze op vrouwen viel. Natuurlijk, daarnaast ziet Van den Bogaard ook wel het aandeel van haar omgeving. Van vrouwen in het interbellum werd niet verwacht dat ze openlijk een grote mond opzetten. En Mengelberg had best meer voor Bosmans kunnen organiseren, zoals hij dat wel deed voor zijn vriend Mahler.

Waarom raakt me deze passage? Het heeft vast te maken met mijn eigen dubbelzinnige verhouding tot de heersende verwachtingen dat je jezelf in de cultuur moet binnenvechten. Maar het gaat verder dan dat. Ik vraag me af of er in de muziek zelf iets zit wat extravert is, wezenlijk extravert. Is muziek niet essentieel theater, drama? Uitdrukking van wat er in je omgaat of wat er ergens klinkt? Zo bezien mag ik blij zijn met deze schrijver, Van den Bogaard. Hij is zelf impresario en weet hoe het in het wereldje van de klassieke muziek werkt. Er heersen bepaalde gewoontes, en als je iets wil bereiken moet je je daar rekenschap van geven.

Een testcase van mijn gedachte is hoe Van den Bogaard over John Cage schrijft. Cage zocht in zijn muziek en zijn levensbeschouwing naar de betekenis van stilte. Hij ontdekte dat stilte nooit stilte was, altijd klinkt er wel iets. Je kunt zijn muziek opvatten als opvoeding tot het luisteren naar wat er klinkt. Dat is duidelijk bij zijn overbekende stuk 4'33", waar de pianist de toetsen niet indrukt en waar het de bedoeling is dat je luistert naar wat er in deze minuten toevallig klinkt. Is deze klank muziek, of is het stilte?

Van den Bogaard kiest duidelijk voor de opvatting dat het muziek is. Hij politiseert deze opvatting ook, doordat hij in zijn stuk over Cage uitvoerig ingaat op pogingen om muziek te verbieden, door Islamitische Staat, de Taliban en door andere mensen dichterbij. Dat verbieden is onmogelijk, want altijd is er klank. Vandaar ook, denk ik, die titel van zijn boek, Klank!. Maar dan dus wel met dat uitroepteken. Muziek is blijkbaar niet zomaar klank, het is klank met een uitroepteken. Muziek vraagt zelf om drama, expressie, en om politieke strijd. En die strijd moeten we opvatten als drama, opera, schandaal, ophef.

 Deze muziek werd verboden door de nazi's | AVROTROS

 

Gemekker der veertienjarigen - De muziekles van Pascal Quignard

Weer heb ik een bondgenoot gevonden in mijn zoektocht naar muziek van een afstand. In essays van Pascal Quignard kom ik de idee tegen dat mu...