Weer heb ik een bondgenoot gevonden in mijn zoektocht naar muziek van een afstand. In essays van Pascal Quignard kom ik de idee tegen dat muziek te maken heeft met het breken van de stem bij jongens. Ze verliezen hun stem en krijgen er een andere voor in de plaats, een stem die lager en somberder is. Vrouwen hebben daar geen last van. Pas veel later, in de menopauze, gebeurt er iets met hun stem, maar ze kunnen heel lang doorgaan met de stem die ze hadden. Als mannen zingen, staan ze voor de keuze om de kinderstem te imiteren (kopstem), of iets te doen met hun mannenstem.
Quignard spreekt van verlies, jongens verliezen hun stem. Nu zit er bij de filosofen die ik volg de tendens om de negatie naar de achtergrond te schuiven of zelfs te ontkennen. Lees bijvoorbeeld deze blog, waarin ik Bachtin en Agamben situeer ten opzichte van de negatie, waarvan Hegel de meest uitgesproken vertegenwoordiger is. Het draait er allemaal om de stem, de stem van het dier en de menselijke stem. Agamben ziet de filosofie als een soort taal waarin de stem tot stilte is gebracht, en dus geen stem meer is. Maar ook bij hem verhoudt de stem zich lange tijd tot de infanzia, het (nog) niet kunnen spreken van het kind dat bij de volwassenen voorondersteld blijft. Het lijkt dus bij Agamben er andersom aan toe te gaan dan bij Quignard. Bij Agamben is er eerst de stemloosheid, daarna het spreken. Bij Quignard is er eerst de stem, daarna het verlies. Hoe dan ook, er is altijd verschil, afstand.
Die afstand hoeven we niet per se op te vatten als negatie. Het kan ook zijn dat we het spreken of zingen kunnen zien als herstel van iets negatiefs dat erbuiten plaatsvindt. Zo volgde ik Agamben in zijn idee dat de filosofie voortkomt uit de muziek, zoals de oude Grieken dachten. Vanwege die band met muziek is filosofie in staat om de plaats van muziek te herstellen als die schade lijdt:
'Philosophy is today possible only as a reformation of music. If we call music the experience of the Muse, dat is, of the origins and the taking place of the word, then in a given society and at a given time music expresses and governs the relation humans have with the event of the word. In fact, this event - that is, the arche-event that constitutes humans as speaking beings - cannot be said within language: it can only be evoked and reminisced museically or musically.' (What is Philosophy, p.88)
Om de schade te herstellen moet filosofie dus op zijn beurt weer terugvallen op muziek. Het belangrijkste dat filosofie te zeggen heeft is dat niet alles in taal te zeggen is. Het belangrijkste kan alleen in muziek worden uitgedrukt.
De afstand van de muziek - bedoeld wordt de afstand tot de taal - moeten we dus niet opvatten als negatie. In de taal verhouden we ons altijd in positieve zin tot de muziek, omdat daar de oorsprong van de taal in gelegen is. We kunnen wel zeggen dat die muziek er niet toe doet, maar dan zijn we al aan het spreken, en spreken we onszelf in feite tegen, we spreken de muzikaliteit van onze taal tegen die er niettemin aan ten grondslag blijft liggen.
Pascal Quignard lijkt ons in zijn essays blijkens hun titel, La leçon de musique (Hachette, 1987) te willen vertellen wat de essentie van muziek is. Maar in het derde essay vertelt hij een Chinees verhaal, waar de muziekleraar zijn student meeneemt naar zijn eigen leraar. Ze stappen in een bootje, de leraar vraagt zijn leerling te wachten totdat hij terugkomt met die eigen leraar. Tien dagen later is hij nog steeds niet terug. De leerling heeft honger en wordt bang. Hij hoort alleen de zee en de vogels, hij zucht en zegt dan: 'Voilà la leçon du maître de mon maître!' Hij speelt op zijn gitaar en huilt. Alleen de klanken waren zijn tranen.
Ik heb iets soortgelijks meegemaakt toen ik mijn blogserie over Agamben en de muziek schreef (zie hier). Vooraf dacht ik nog dat ik in staat was daarover een boek te schrijven en te publiceren. Mijn gedachten voerden me naar depressie, tranen en eenzaamheid. Op een bepaalde manier begreep ik misschien niet wat muziek was, maar wel wat mijn muziek was, mijn manier om te schrijven over muziek. Het voelt een beetje als zen. Je meester geeft je een opdracht, en als je eraan voldaan hebt, zeggen ze dat het geen muziek is. Zo zetten ze je in beweging om iets positiefs te ontdekken, iets waarvoor die depressie, tranen en eenzaamheid nodig waren. Pas als je erop terugkijkt kun je zien dat het geen verlies was, maar iets positiefs.
Alle drie de essays van Quignard zijn boeiend en leerzaam. Het eerste gaat over de Franse componist Marin Marais (1656-1728). Marais was koorknaap totdat zijn stem brak en hij uit het koor werd gegooid. Daarna trad hij in de leer bij Sainte-Colombe, bespeler van de viola da gamba. Marais kiest daarmee voor de tweede optie. Waar het ook mogelijk was om zich te laten castreren, of om met een viool of als countertenor zijn hoge stem te behouden of imiteren, legt Marais zich toe op de imitatie met de viola da gamba van de donkere mannenstem. Wat hij doet noemt Quignard 'domestiquer la mue', het domesticeren van de rui, van het breken van de stem. Feitelijk maakt hij die stem daarmee tot iets positiefs.
Elders drukt Quignard het in nog radicalere bewoordingen uit: 'La musique, c'est un corrigé de temps plus ou moins revenant.' (p. 67). De tijd keert in de muziek terug naar zijn eigen oorsprong, en verraadt zich daarmee zelf als verlies van de tijd. Daarmee naderen we de radicale filosofie van Emanuele Severino, die stelt dat tijd er niet is (zie deze blog). Als we 'verlies van de tijd' zeggen, ervaren we niet die negatie, of althans niet als iets negatiefs, het verandert integendeel emoties als nostalgie in iets wenselijks, iets positiefs.
Het tweede essay gaat over Aristoteles. Dat is toevallig ook de hoofdpersoon van Agamben als hij zijn hervormingsproject van de muziek voorstelt. Aristoteles ziet in zijn politieke filosofie voor de muziek een sleutelrol weggelegd, omdat je er vat mee hebt op de ziel van jongeren. De filosofie van Aristoteles zou je in zijn geheel kunnen zien als 'la leçon de musique'. Maar er ligt hier wel een addertje onder het gras. Aristoteles baseert zijn filosofie volgens Agamben voor een niet onbelangrijk deel op negatie, doordat hij materie als afwezigheid van vorm definieert. Maar nu we Quignard volgen, kunnen we de muziekles misschien zelf in meer muzikale termen opvatten, en komen we dichter bij zijn uitleg van muziek vanuit de gebroken stem.
In zijn History of Animals schrijft Aristoteles over het breken van de stem bij jongens van veertien: 'Dat noemen ze mekkeren' (ὅ καλοῦσι τραγίζειν, Geschiedenis der dieren, VII, 1, 581a). Voor Quignard vormt dit voldoende aanleiding om een verband te leggen met de tragedie, wat letterlijk 'bokkenzang' betekent, wetende hoe groot de interesse van Aristoteles in tragedies was. De tragedies werden in Athene in het voorjaar opgevoerd, de tijd waarin dieren van huid wisselen, de tijd van de rui en van het offer. Komen we nu toch weer uit bij de negatie, in de zin van het offer? Is het gemekker van de geit, waarnaar de tragedies zijn genoemd, de kreet van het dier dat wordt geslacht?
Nee, want als Aristoteles houdt van tragedies, dan doet hij dat als geïnteresseerde wetenschapper. De realiteit was voor Aristoteles niet iets negatiefs. De dood bestaat in zekere zin niet, in zijn wereld. Als hij sterft, zegt Quignard, dan sterft de zoöloog. Hij laat daarmee de stem achter zich. Zijn dood is een nieuwe rui, de tweede, en dan een waarbij hij zijn gebroken stem achter zich laat. Hij verandert in stilte en versteent.
Je zou dit ook zo kunnen verwoorden: met hun gebroken stem zijn jongens in staat om zich tot muziek te verhouden als iets dat niet vanzelf tot hun beschikking staat. Ze moeten die verhouding verwerven in de muziekles, in de les waarin ze zich hun stem eigen maken. Zo gezegd, lijkt de visie van Quignard een beetje seksistisch. Zijn vrouwen niet in staat om muziek te leren omdat ze altijd al eigen zijn en blijven in de muziek? Komt hier toch een gebrek aan het licht, ook al wordt het zo complimenteus verwoord?
Misschien ligt het er maar aan hoe positief je dat leerproces vindt. Natuurlijk zijn vrouwen in staat om muziek te leren, door hun stem als het ware te verliezen en zich die opnieuw eigen te maken. Bovendien verandert hun stem in de menopauze, en ligt de weg open voor een boek over muziekles, maar dan geschreven vanuit de vrouw. Maar ook vanuit de optiek van Quignard is er denk ik ruimte om de stand van zaken anders te duiden. De vrouw raakt haar stem niet kwijt, dat is wat telt. Ze kan vertrouwen op haar stem. Misschien moeten we het leerproces zien als iets secundairs, als een kans waarmee mannen iets kunnen naderen wat er bij vrouwen altijd al is. Misschien is het eigene er in essentie al, en berust de idee van verlies en toeëigening op een misverstand, de idee dat we iets niet zouden hebben.
Ik denk weer terug aan mijn zangleraar op het conservatorium. Hij gaf het na een paar maanden op met mij om me te leren zingen. Eerst maar eens Rilke declameren: 'Wer wenn ich schriee hörte mich denn aus der Engel Ordnungen?' Bij het schreeuwen of huilen kunnen we misschien ook denken aan mekkeren, blaten. De engelen horen ons niet, ze horen niet alles als muziek, klank is voor hen herrie. Daarom zijn die engelen ook zo verschrikkelijk: 'Jeder Engel ist schrecklich.'
Het declameren lukt me nog steeds niet, maar inmiddels ligt er wel weer een blog. Dat dan weer wel. Op mijn manier toch een muziekles.