maandag 20 mei 2019

Onze cellist speelt mee! - Het klassieke equivalent van Arcade

Muziek is de internationale taal die iedereen spreekt en verstaat. Dat is bekend. Het mooie daarvan is dat vluchtelingen op Lesbos nu muziekles krijgen door het initiatief van een Nederlandse (ex-)zakenman. Die heeft begrepen dat voor vluchtelingen een opkikkertje voor de ziel geen overbodige luxe is.

Het is alleen nog niet helder hoe we die universaliteit van de muziek nu moeten verstaan. Dat is best wel raar als je erover nadenkt. De muziek die iedereen verstaat vraagt om een speciale manier van verstaan.

De paradox vliegt ons dezer dagen van alle kanten aan. Onze Duncan had een afspraakje in de arcades van Tel Aviv en kreeg zomaar miljoenen reacties! Maar desalniettemin begrijpen we niets van zijn song die draait om een losing game.

Een andere paradox ontdekte ik in de Volkskrant. Recensent Merlijn Kerkhof schreef een prachtig stuk over een uitvoering van het Artemis Quartett waarin hij schreef dat hij vergat te schrijven omdat de muziek hem helemaal in beslag nam.

Van zijn stukje heb ik het een en ander geleerd over muziek. Zo begrijp ik nu dat ritme de muziek danig in de weg kan zitten: 'Aan alles merkte je dat de partituur op een zeldzaam detailniveau moet zijn bediscussieerd, aan de andere kant staat geen aangezette ritmische figuur de vloeiende voortgang in de weg.'

Hebben we indirect ook iets geleerd over amuziek? Je kunt denken aan diezelfde aangezette ritmische figuren die de muziek in de weg kunnen zitten. Ook kun je denken aan de identificatie. Dat Artemis Quartett is mooi, maar wat telt is dat onze Harriet Krijgh meespeelt. Goed, het gaat om klassieke muziek, dus dat onze staat nog tussen aanhalingstekens. Maar die functioneren in dit geval als vette onderstrepingen.

Er zit in elk nationalisme iets dubbels, paradoxaals. We vinden het geweldig als er eindelijk een Nederlandse cellist zo goed speelt dat ze mee kan met een internationaal bejubeld strijkkwartet. Maar het wordt pas echt mooi wanneer die anderen dat ook erkennen. En omdat die anderen dat niet altijd zien - althans, ze zien niet altijd dat het mooie spel van die cellist te maken heeft met haar Nederlandse afkomst - berichten we zelf maar over die geweldige kwaliteit van onze cellist. Dat kun je maar beter niet aan die buitenlanders overlaten.

Nederland is ook sterk in het citeren van buitenlandse pers als die de voortreffelijkheid van Nederlanders eens een keer wel zien. Daar zijn wij heel goed in.

Ik voel dat hier een kans ligt voor de Europese idee. Ajax, Duncan, Harriet, we hebben de Europezen echt iets te bieden. En zo werkt het ook. Europa is een spiegelpaleis. De illusie houdt echte vrede al heel lang in stand.

En zo zie je maar weer dat echte, hoogstaande muziek kan opkomen op een podium waar we eigenlijk alleen maar naar onszelf zitten te kijken. Maar gelukkig, anders dan bij Narcissus leidt dit bij ons niet tot het zelfinzicht dat hem zo fataal werd.

Afbeeldingsresultaat voor cello krijgh artemis


vrijdag 17 mei 2019

Mu mu mu op het Museumplein

Wat zong Erik ten Hag vals gisteren, bij de huldiging van Ajax. Hij kwam er zelf mee, anders had niemand het opgemerkt. Hij zei er wel meteen bij dat hij niet de enige was. We hadden al zo'n vermoeden.

Kijkend vanaf een afstand - ons thema is nog steeds 'muziek van een afstand' - aarzel ik om te concluderen dat Ten Hag amuzikaal is. Het past allemaal te goed. Een feestend voetbalteam zingt vals, de trainer moet er een vleugje moraliteit overheen gooien, zo van je moet het wel bekennen, en je ook weer niet boven de jongens stellen, dus ook relativeren, dat hij de enige niet was.

Ook burgemeester Halsema voegde zich in het passende. Ze had zich voorbereid op een fluitconcert en ja hoor, er was een fluitconcert. Ze zei vooraf al dat ze dit verwachtte, omdat het bij de vorige huldigingen ook zo ging. We kunnen dus rustig van een traditie spreken. De media's hadden haar geadviseerd het fluitende volk met humor tegemoet te treden. Er is dus bij De Telegraaf ook echte kennis omtrent het volk voorhanden en zelfs (enige, misschien niet helemaal valse) sympathie voor Halsema.

Wat mij in dit verband interesseert is of hier niet toch op een of andere manier het verschil tussen muziek en amuziek in het spel is. Dat ligt dus niet voor de hand, want je kunt zoals ik al zei uit het gezang en het gefluit niet afleiden of het om muziek of amuziek gaat, of om nog weer iets anders.

En toch. Misschien zouden we hier kunnen spreken van theatralisering van amuzikaliteit. Op het podium toont het volk dat het amuzikaal is, het toont bovendien nog dat het dit toont. Je kunt hier verder over nadenken in de richting die ik heb verkend met Simon Critchley, die het voetbal ziet als de echte erfgenaam van de oude Griekse tragedie. Maar dan beland je al snel weer in de muziek. Hier speelt iets anders. Het volk verzamelt zich niet om de muziek die gaande is op het podium. Het staat nu zelf in de schijnwerpers.

Een adequatere denkweg zou lopen langs de lijnen van Bachtins Rabelais. Voor wie het niet weet: Michail Bachtin was een filosoof uit de Sovjet-Unie die de zestiende-eeuwse roman in verband bracht met het carnaval. In carnaval is er geen scheiding tussen podium en publieksruimte, het volk is zelf het personage, als je al van een toneelstuk kunt spreken. Een andere overeenkomst betreft het uitfluiten van de burgemeester. Het komt overeen met het beledigen van de vorst voorafgaand aan het carnaval. En dit is weer niet negatief bedoeld, je moet het opvatten als vrolijke ambivalentie, de bevestiging van dood en leven die voortdurend in elkaar overgaan.

Ja, ook het leven dat overgaat in de dood wordt gevierd. Dat blijft bij Bachtin een beetje onderbelicht. Maar zo niet bij het feest van gisteren. De comateuze Nouri ontpopt zich steeds meer als het symbool van Ajax en van het volk. Op bewust niveau kun je dit makkelijk opvatten als de bevestiging van het volk dat het goed is. Het denkt aan de rampen en de kwetsbaren, bij alle triomf. Het is solidair tot en met. Maar onder dat niveau voelen we een verlangen naar communicatie met de onderwereld, het dodenrijk. Ik heb dat elders gethematiseerd aan de hand van de Etruskische held Phersu, die door sommige filologen wordt beschouwd als de naamgever van ons begrip persoon. Nouri symboliseert onze communicatie met het dodenrijk.

We zijn dus getuige van een voortzetting van de oude mysteriën zoals niet alleen bij de Etrusken, maar ook in Eleusis, en in mindere mate bij de gladiatorenspelen van de Romeinen, die ontstaan zijn uit de lijkenspelen. We hebben dit verkend met Agamben. Bij mysteriën denk je aan zwijgen, de wortel *muo-. Maar Agamben denkt ook aan deze wortel bij het ontstaan van de taal. Als je neuriet hoor je zoiets als m m m, je mond opent zich en het wordt automatisch mu mu mu.

Is het muziek? Tja, maar zeker ook iets wat eraan voorafgaat, het is nog geen muziek, het is pre-muziek of amuziek. Het is iets dat nog van alles kan worden, of ooit iets is geweest, een tussentoestand.

Misschien daarom was ook de setting zo passend, het Mu-seumplein. In alle opzichten een tussentoestand, tussen de musea, tussen museale traditie en eenmalige gebeurtenis, tussen politionele controle en rebellie, tussen dood en leven.

Afbeeldingsresultaat voor nouri

zondag 5 mei 2019

Het komt in je op - Lorna Simpson

In Rijksmuseum Twente kun je 'de naakte waarheid' bewonderen. Waarheid kan iets met muziek te maken hebben, luister maar naar dichter Celan met zijn Todesfuge. Zijn kwestie is hoe je weg kunt komen uit de bereikbaarheid die in de nazitijd noodlottig was. Een mogelijk gebaar bij de aanblik van gruwelen is dat je het muziekinstrument in je hand houdt maar er niet op speelt. Steeds gaat het om het wegkomen uit de doodbrengende cultuur.

Is muziek zelf al niet een manier om weg te komen? We raken even in betovering en vergeten de zorgen. Vervolgens worden we wakker, iemand of iets maakt ons wakker en maant ons tot herinnering. Vaak is dat een trompet, zoals gisteravond.

De vraag is of het gedenken een vorm van wakker worden uit de muziek is. Misschien hebben we eerder een overgang of drempel nodig om in die betovering de herinnering vast te houden. Anders gaan we denken dat gedenken iets heel moeilijks is, wat we alleen maar willen ontvluchten.

Deze beweging zou ik willen zien in het multimediakunstwerk Easy to remember van Lorna Simpson. De link met het thema 'de naakte waarheid' is duidelijk als je het ziet en erover nadenkt. Je ziet op vijftien minischermen monden van verschillende mensen. Ze neuriën allemaal 'Easy to remember' van John Coltrane. Dat is het eigenlijk wel zo'n beetje. De waarheid heeft in dit en de andere werken van de expositie te maken met het zelfonderzoek in de traditie van Descartes. Maar het Westen heeft dat zelfonderzoek altijd op een of andere manier gekoppeld aan het lichaam, het naakte lichaam. Het kunstwerk van Simpson past in die traditie doordat er uit de opstelling van de neuriërs iets nieuws opkomt, een multimediaal kunstwerk.

Het is voor mij duidelijk dat de a-muziek zoals ik die in mijn blogs verken deel uitmaakt van dit kunstwerk. Sterker nog, het werk draait om de a-muziek. De neuriërs wordt gevraagd de song te neuriën. Hun geneurie wordt pas muziek door de assemblage. Het is alsof ik weer als organist bij de koorrepetities op donderdagavond elke stem voorspeel en dat de koorleden dit nazingen. Het is geen muziek, het kan dat pas worden als we door deze fase heengaan.

Maar hier is het andersom. Het lied kennen ze al, het is een song die 'easy to remember' is. De passage loopt nu dus andersom. Waar bij de koorrepetitie de nieuwe muziek wordt ingeoefend, wordt hier de bekende muziek als het ware 'uitgeoefend', teruggebracht tot de stem zoals die wordt uitgenodigd door de kunstenaar en half spontaan klinkt. Onze aandacht gaat vooral naar de monden, de naakte monden.

De toeschouwer staat op de positie van het publiek. Maar ook van de slavenhandelaar. Daar komt die toeschouwer langzaam achter als hij de bijschriften gaat lezen en zich verdiept in het werk van Lorna Simpson. En tegenwoordig kun je niet meer naar kunst van Amerikaanse politieke kunstenaars kijken zonder vroeg of laat te stuiten op zaken als identiteitspolitiek en politieke correctheid.

Mij bevalt dat niet. Het bevalt me al niet dat ik daar naar die monden sta te kijken terwijl de gedachte zich aan me opdringt dat dit kunstwerk oké is, en dat hier direct of indirect mijn positie jegens zwarte vrouwen in het geding is. Ik zou graag weer gewoon willen genieten van dat gemurmel en die monden. Ik zou dus graag willen vergeten, maar 'it's hard to forget'.

Dat het me niet bevalt heb ik leren waarderen als kenmerk van de waarheid. De waarheid is vaak herkenbaar aan het onbehaaglijke gevoel dat optreedt wanneer ik heb besloten ergens van te genieten. Maar we zouden haast vergeten dat we inmiddels toegang hebben gekregen tot een gedenken dat niet alleen maar de vorm aanneemt van een signaal van buitenaf. Gedenken is niet altijd moeilijk en moeizaam. Het is niet alleen maar onbehagen. Het is ook easy. Er zit ergens een melodie in ons, en die melodie kunnen we uitvoeren doordat we een lichaam hebben. Ook wie niet muzikaal is en niet naar gedenkbijeenkomsten gaat, kan gedenken. Easy.


zaterdag 4 mei 2019

Je fluit laten hangen - Silvia B. tegenover de dode zwaan

Vandaag was er dat afschuwelijke bericht dat er - vermoedelijk - uit een grijze auto een ooievaar is doodgeknald. Alsof de dieren het zelf niet aankunnen om hun stand te minderen. Hoe dan ook doen we allemaal mee en is er dus enige schoonheid nodig. Om je op te peppen tot de strijd. Om mee te genieten, zegt de cynicus. Om te rouwen, zegt de rituelenliefhebber van zwanenzangen. En misschien om nog andere redenen, of gewoon zomaar.

Voor al deze motivaties bestaat muziek: marsmuziek, motetten van Gesualdo, marches funèbres, Consolations, muziek zonder programma.

We bewegen ons met deze muzieken binnen het menselijke. De ooievaarknaller is een mens, en wij zijn dat evengoed. Daarom is het zo belangrijk dat we onze stem verheffen, verdorie. Het minste wat we kunnen doen is samen een koor vormen waarin de grootheidswaan van de ooievaarknaller wordt teruggebracht tot stem temidden van stemmen. Het is overigens bewezen dat geweld soms niet doorgaat wanneer het wordt geconfronteerd met geschreeuw. Schreeuwen heeft dus zin!

Er zit iets schokkends in het tonen van beelden, zoals in beeldende kunst. Onze neiging is toch om het dode tot leven te wekken. En alsof het nog niet genoeg is zetten we die beelden ook nog eens neer in een museum, plaats van oude mensen en het verleden. De dood wordt onderstreept door de dood, alsof dat nodig was. En zo dolen we rond door de zalen totdat we erbij neervallen.

Het Mauritshuis is een statement. Het staat bij het parlement waar het schandaal gepaard gaat met roep en tegenroep. Maurits had iets te maken met slaven, en dat willen we niet graag in stilte laten gebeuren. Intussen hangen daar die koe en dat meisje met oorring en niemand weet wat zij ervan vonden.

Kijken we naar beeldende kunst, dan glijden we langzaam in een dood die doorechoot in de volgende dood. Een groot doek van Jan Weenix (1642-1719) toont een paar in de jacht gedode dieren, waaronder een opvallende grote witte zwaan. Het Mauritshuis kan dit grote schilderij niet aan en heeft het in bruikleen gegeven aan Rijksmuseum Twenthe. Kunstenaar Silvia B. maakte er een paar beelden bij. Waar ik dus de aandacht op wil vestigen is dat twee van die beelden satyrs betreft met blokfluiten, die ze laten hangen.

Hoe moeten we die hangende blokfluiten duiden? Wil Silvia B. zeggen dat het bij die dode dieren niet gepast is om muziek te maken? Alsof het museum en de oude bezoekers nog muziek maakten? De toelichting zegt dat een bacchanaal wordt voorbereid door die satyrs. Ik ben eerder geneigd in de lijn van mijn favoriete filosofen Nancy en Agamben te denken aan désoeuvrement, de mooie dode zwaan is een affront, maar hoe dan ook is het werk gedaan en hoeven we niet ook nog eens te blokfluiten. De hangende fluit is een on-werk tegenover het werk van Weenix.

Het is a-muziek waarnaar we kijken. Niet alleen hier, maar ook bij Weenix en wellicht bij alle beeldende kunst. Kijkend naar de beelden hoor ik muziek op afstand. Een Afrikaanse trommelaar trommelt tot hij een ons weegt, tegenover Marina Abramovic met een zwarte kap om haar hoofd en verder naakt. Ze danst letterlijk tot ze erbij neervalt.

En ergens ligt misschien nog die dode ooievaar en ergens wordt het tijd dat ik ophoud met tikken aan dit stukje.


Om bij stil te staan: de laagste engel van Wijnberg

We hebben het over amuzikaliteit, en daar kleven niet alleen nadelen aan. Het kan ook best voordelen hebben. Omgekeerd kan het eenzaam zijn aan de top.

Waarom zou dat voor engelen anders zijn? Ik lees het gedicht Opgeven van Nachoem Wijnberg dan ook in eerste instantie als een steuntje in de rug voor mijn project:
  
   Hoe hoger een engel is
   hoe beter hij in muziek is,
   de laagste engel heeft muzikanten om hem heen.

Ik zit hier dus in een winwinsituatie. Dat past ook nog mooi bij de gedetailleerde economie van de hele bundel Om mee te geven aan een engel. De communicatie is een winwinsituatie. De hoogste engel is goed in muziek, de laagste engel hoeft dat niet te zijn en profiteert toch mooi mee.

Echter, ik ben geen engel, niettegenstaande mijn derde naam Michaël. Ik heb niets te melden en profiteer ook in dat opzicht mooi mee van de gedichten van Wijnberg. Wijnberg is dan misschien ook geen engel, hij getuigt met zijn gedichten wel mooi van muziek, hij maakt muziek. Laten we vasthouden dat ik tot Wijnberg sta zoals de laagste engel tot de hoogste.

Ik weet me geraakt door Wijnberg als hij zegt:

   De laagste engel
   raakt aan wie als jou is,
   laat zich door hen omarmen.

In dat geval zijn het de engelen die mij omarmen, ook al omdat ze me hebben gegeven 'wat ze niet meer willen hebben, hun niet goed kunnen lopen.'

Ik kan natuurlijk nooit zeggen dat ik die jij ben. Het gedicht raakt me doordat het zingt, het is muziek. Wel kan ik zeggen dat ik doordat ik zeg dat ik die jij ben, het gedicht van zijn muzikaliteit ontdoe. Ik heb het voor mezelf geïnterpreteerd, er prozagehakt van gemaakt. Op mijn manier zing ik, kreupel als ik ben.

Maar gelukkig heb ik dus muzikanten om me heen. Dankzij mij en lezers als ik zijn de engelen minder eenzaam.

Afbeeldingsresultaat voor engel vedel



dinsdag 30 april 2019

Te mooi om waar te zijn - Celan

Veel recht van spreken heb ik niet. Ik ben maar pas begonnen met het lezen van Celan, en ben dat lang uit de weg gegaan. Maar zoals hij zelf al zei: zijn gedichten zijn flessenpost en zijn bedoeld om ooit aan land te spoelen.

Wat me aan Celan tegenstond was dat hij al door zoveel mensen gelezen werd. Waarom zou ik dat dan ook nog moeten doen? Zo heb ik ook de neiging, als er tien mensen toeschieten bij iemand die hulpeloos op de grond zit, om me afzijdig te houden.

Maar goed, in deze blogs heb ik de luxe om me uit te spreken en me tegelijk afzijdig te houden, zo heb ik de luxe om alles mooi te combineren.

Ook beslis ik meestal niet over het juiste moment dat een dichter bij me binnenkomt. Een gedicht verschijnt. En zoveel is zeker, een van de sterkste figuren van Celan is de herhaling. Als hij een woord of zinnetje herhaalt, heeft dat een betoverend effect. Dat was me al duidelijk toen ik ooit in een verzamelbundel van moderne poesie van Suhrkamp een gedicht van Celan las. Misschien behoort het dus tot zijn poëzie dat ze eerst niet tot je doordringt, en daarna wel. En wel als betovering, zodat er toch ook weer een muziek klinkt die op afstand blijft. Dat kun je dus nauwelijks doordringen noemen.

Wat me ook nogal tegenstond was de verbinding van Celan met de Auschwitz-controverse die door Adorno werd gelanceerd, met zijn uitspraak dat je na Auschwitz niet meer kunt dichten. Daardoor werd ook Celan voor mij in de sfeer getrokken van iets enorm gruwelijks dat tegelijk onaanraakbaar werd, oneindig plechtig en monumentaal, 4-mei-achtig. Niet iets voor mij.

Maar nu lees ik dat Adorno - mede door het lezen van Celan - zelf op zijn uitspraak terugkwam, en Celan heeft met zijn gedichten en anderszins gereageerd op Adorno. De mensen die nu nog volhouden dat je na Auschwitz niet meer mag dichten hebben dus niet door dat het bij dit verbod om een passage gaat, een passage die je de vorm van een aanmaning kunt geven, maar waarom niet van een gedicht. Zeker kun je juist in dat gedicht ook zeggen dat die passage onmogelijk is. Dat heeft Derrida naar aanleiding van Celan in zijn Shibboleth uitgewerkt.

Mij interesseert hier de muziek, en de amuziek. De gedichten van Celan zijn niet alleen muziek, ze verwijzen ook naar muziek en imiteren die in hun vorm. Het bekendste is de Todesfuge met dat bekende zinnetje 'Der Tod ist ein Meister aus Deutschland.' Je kunt Celan zelf bekijken en beluisteren hoe hij dit gedicht voordraagt, en je vindt op Wikipedia en elders gedetailleerde analyses.

Wat mij trof, was een soort wending die Celan nastreeft. Poëzie moest altijd mooi zijn, mooi in de zin van mooie muziek. Maar Celan streeft met zijn gedichten naar waarheid. Waarheid heeft, als ik me niet vergis, met taal te maken. Je moet dus kunnen spreken of schrijven. Als je alles wordt afgepakt, lijkt het me niet raadzaam dat ze je ook nog je taal afpakken. De verheerlijking van het zwijgen is dus niet op zijn plaats.

Als je de waarheid zegt, kan dat betekenen dat je afstand neemt van de schoonheid. Dat is iets wat men zich in Duitsland niet altijd evengoed realiseert, maar denkend aan Kant heeft vooral Duitsland sterke papieren om van dat verschil tussen schoonheid en waarheid te getuigen. Lees Benjamin, en je bent sinds het fascisme op je hoede voor types zoals Baudet die de hele politiek in het teken van een schoonheidsideaal willen stellen.

Voorzichtig zou ik in het verlengde van Celan willen pleiten voor een bepaald soort amuzikaliteit. Niet dat de gedichten van Celan amuzikaal zijn. Maar in hun muzikaliteit tenderen ze naar iets dat zelf niet per se muzikaal is, het zoekt de randen van de muziek op.

Ik probeer deze gedachte te illustreren door twee zaken te combineren: een motief uit het gedicht Todesfuge en een gedachte uit de toespraak van Celan uit 1958, waarmee hij de stad Bremen bedankt voor de literatuurprijs die hij krijgt. Om met het laatste te beginnen, hij waardeert de stad Bremen omdat die voor hem altijd onbereikbaar was. Het bereikbare was voor hem - vanuit zijn geboorteland Roemenië - de stad Wenen, en het bereikbare stond in het teken van de nazi's. Hoe kan het dat Bremen dan wel in het teken van het onbereikbare bleef staan? Vanwege de uitgevers, boeken en gedichten die Celan in zijn jeugd las. In de taal is het dus mogelijk het onbereikbare vast te houden, tegen het bereikbare in. Verderop in zijn dankwoord komt Celan met dat beeld van de flessenpost, het gaat hem uiteindelijk ook om aanspreekbaarheid. Maar die is dus in de oorlog geblokkeerd door de 'bereikbaarheid' waarvan alleen de taal zich kan afzonderen.

In het gedicht Todesfuge krijgen we misschien meer zicht op die bereikbaarheid. Celan heeft het over een schrijver, waarbij we kunnen denken aan Goethe of Heine ('Margarete', 'goldenes Haar') en in een beweging door zegt het gedicht over die man:
er pfeift seine Juden hervor lässt uns schaufeln ein Grab in der Erde
er befiehlt uns spielt auf nun zum Tanz
Het is dus diezelfde persoon, zou je denken, die mooie literatuur schrijft en de Joden een graf laat graven. Het schrijven en fluiten krijgt zodoende de betekenis van de meester, de meester die schrijft, fluit en beveelt.

Nog steeds is hier de bereikbaarheid in het spel. Immers, die schrijver is een man die in het huis woont, en zijn bevelen geeft hij voor zijn huis. De sterren zijn geen symbool meer van het onbereikbare, want in diezelfde regels wordt ook gezegd 'es blitzen die Sterne'.

Ik stel nu een interpretatie voor die misschien iets te gehaast overkomt, maar ik stel mezelf op de plaats van een lezer die de schrijver tijd geeft om bij hem aan te komen. Niet alles hoeft meteen, zo zegt Celan in zijn dankwoord aan Bremen. Mijn interpretatie houdt in dat de dichter in zijn gedichten de waarheid moet verwoorden waarmee hij afstand creëert met deze nabijheid van de meester. De fuga geeft hem daartoe de mogelijkheid. Fuga betekent jacht, de ene stem wordt gevolgd door de andere die hem imiteert. In de tijd die zo ontstaat kan het altijd gebeuren dat je in contact met de ander treedt via het onbereikbare. Bremen belichaamt die onbereikbaarheid, als vrije hanzestad en doordat de uitgevers en dichters er niet op bevel hebben geschreven. Ze zijn Celan niets verschuldigd, en hij hen ook niets. Hij kan Bremen dus bedanken omdat de prijs een erkenning betekent voor de vrijheid die Celan heeft verworven met zijn gedichten.

Celan laat zijn dankwoord voorafgaan door het gedicht Ein Dröhnen, uit de cyclus Atemwende:

EIN DRÖHNEN: es ist
die Wahrheit selbst
unter die Menschen
getreten,
mitten ins
Metapherngestöber.
Het gedicht zou je kunnen beluisteren als muziek over de waarheid. Maar wel muziek van een bijzondere soort. Dit gedicht kun je niet echt als gedreun beschouwen. Die titel of aankondiging slaat eerder op de waarheid. Dat gedreun staat in contrast met de windstoten der metaforen. Misschien zou je het botsen van die waarheid op de metaforen kunnen zien als 'atemwende'. Het gedicht kan afstand nemen van de metaforen en het gedreun en zijn eigen ruimte zoeken voor muziek. Het is een soort inhouden van je adem.

In mijn termen gevat: de muziek kan opduiken temidden van de amuziek. Het onbereikbare temidden van het bereikbare. De vrijheid temidden van de meester-slaafverhoudingen.

Afbeeldingsresultaat voor bremen dans



 

maandag 29 april 2019

Zweeftoestand

Gisteren zag ik bij het programma Boeken de Oostenrijkse schrijver Wolf Wondratschek. Hij had een prachtige ambitie. Met zijn roman over een schrijver en een pianist wilde hij de zaak aan het zweven brengen. Het publiek zag hij daarbij vooral als stoorfactor. Of liever, hij liet de pianist zeggen dat die het publiek als stoorfactor zag. Daardoor ging ook die uitspraak voor mij zweven.

Het publiek heeft op zijn manier altijd al meegewerkt om de muziek niet te verstoren. Noem het publiek gerust amuzikaal. En dat is nu precies mijn ding, hier in deze blogs.

Zouden we niet een stap verder moeten gaan en ook de hele bildungsoffensieven van de Verlichting moeten beschouwen als stoorfactor? Ik aarzel even, omdat ik zo lovend heb geschreven over meester Alberts en mijn leraren. Maar die leraren straalden vooral enthousiasme uit. Dat kun je beschouwen als een verleidingsstrategie. Maar het kan ook dat ze gewoon echt enthousiast waren en uiteindelijk mij mijn gang lieten gaan, zelfs toen ze me richting amuzikaliteit zagen vertrekken.

Te gauw denken we dat de mens aan de wolven is overgeleverd wanneer we hem niet vormen. Dat kan, maar we hebben inmiddels al iets teveel barbarij in de beschaving zelf gezien om voorbij te gaan aan de verwevenheid van mens en wolf. En omgekeerd, de liefde van pianist Hélène Grimaud voor wolven laat ons zien dat die liefde de muziek niet in de weg hoeft te staan.

Met niet vormen bedoel ik ook niet dat we de barbarij in de mens moeten bevorderen. Het kan evengoed zijn dat het zweven ons de meeste kans biedt om bij die barbarij weg te blijven.

Gisteren zag ik een kauw of een kraai (ik laat in het midden welke het precies was, ik laat het zweven) in de lucht zweven alsof het een buizerd betrof. Zoiets moet Svjatoslav Richter misschien hebben bedoeld toen hij (of een ander, of het personage van Wondratschek) het publiek een stoorfactor noemde. De kraai (of kauw) is lang niet zo'n muzikaal dier als de buizerd. Hij heeft niet diezelfde superioriteit dat hij boven het aardse verheven is. Hij hopt voor hetzelfde geld hier over het veldje, schokkend en hakkend om te kijken waar hij zijn noten ook alweer verstopt had.

Ook alweer zo'n geweldig beeld, de verstopte noten! Musici, doe daarmee maar je voordeel.

Afbeeldingsresultaat voor birds on a wire music

Onze cellist speelt mee! - Het klassieke equivalent van Arcade

Muziek is de internationale taal die iedereen spreekt en verstaat. Dat is bekend. Het mooie daarvan is dat vluchtelingen op Lesbos nu muziek...