donderdag 5 augustus 2021

Blokfluit Hamlet

De blokfluit is alweer lang opgehouden. De blokfluit bespelen we korte tijd op school en daarna leggen we hem opzij. De blokfluit is het instrument bij uitstek dat we opzij leggen. Het is muziek op afstand, de afstand van onze verre jeugd, van ons verre verleden.

Het Engels heeft een bevoorrechte relatie tot de blokfluit. Daar heet hij recorder, waardoor niet alleen de band met de snaarinstrumenten wordt beroerd (corde) maar ook met de registratie en de herinnering. De band met de recorder is een bandrecorder, ook al zo'n ding dat we niet meer hebben, behalve in de herinnering, op afstand.

Er was eens.... Er was eens een tijd dat de blokfluit alom klonk, bij elke opvoering, van theater of bij liederen. Het is meteen sprookjestijd, kindertijd, waarin we vergeten zijn dat sprookjes ooit zijn geschreven voor volwassenen, en later pas voor kinderen werden bewerkt. In de blokfluit klinkt die tijd nog door, waarin een onthoofding nog een onthoofding was.

De onthoofding maakte plaats voor in de gaten houden. Je hield de boosdoener in de gaten, probeerde hem te ontfutselen wat hij dacht. En vloeiend, heel vloeiend, ging dat over in de begeleiding naar het land op afstand waar de executie kon plaatsvinden, ongezien.

De blokfluit was de man aan wie een bekentenis moest worden ontlokt. Je moet de man weten te bespelen, weten welke gaatjes je moet indrukken om hem de klanken te ontlokken die je zijn bedoelingen vertellen. Dan kun jij je maatregelen nemen. De gesurveilleerde geëxecuteerde man is de blokfluit.

In Hamlet is Hamlet de blokfluit. Zijn medestudenten zijn geïnstrueerd door koning Claudius om hem in de gaten te houden. Hamlet begint te vermoeden hoe het zit. Hij geeft medestudent Guildenstern een fluit, en vraagt hem hierop te spelen. Die zegt dat hij die fluit nog niet eens kan vasthouden, laat staan hoe hem te bespelen. Met dat antwoord is hij in de val gelopen, en Hamlet zegt:

Kijk es aan, wat voor een waardeloos ding heb jij van mij gemaakt. Mij wil je bespelen, je lijkt heel goed te weten waar mijn kleppen zitten, je wil mij een geheim ontfutselen, mijn register zou je van de laagste tot de hoogste noot willen uithoren; en in dit kleine instrument zit veel muziek, een voortreffelijke stem, maar jij krijgt het toch niet aan de praat. Verdomd, denk jij dat ik makkelijker te bespelen ben dan een fluit? Hou mij voor elk instrument je maar wil, je kunt mij wel ontstemmen, maar bespelen: nooit. (Albers, Hamlet, 3.2)

Ton Hoenselaars concludeert in zijn boek over Shakespeare dat ook wij niet moeten denken dat we Hamlet zijn geheimen kunnen ontfutselen. Hamlet is de sfinx.

Daarmee is de muziek op afstand geraakt. Nemen we aan dat Hamlet een theaterstuk is, niet alleen met omlijstende muziek, maar ook met functionele muziek (trompetten, treurmars), het is ook poëzie, en in die zin muziek. Dan ontstaat er geleidelijk een interessante spanning. We zijn niet in staat om Hamlet zijn geheimen te ontfutselen, maar wel, door hem op te voeren, om hem tot klinken te brengen, klinkende muziek.

De muziek op afstand is tegelijk ook de muziek waarmee we ons graag omgeven. Hamlet de depressieveling, de sluwe acteur, de vergelder, twijfelaar, vergisser. Je kunt wel sfinx zeggen, maar daarmee zeg je niet niets.

Er is een blokfluit die klinkt zonder dat hij wordt bespeeld.

Peter Morwood — phantomrose96: phantomrose96: I read Hamlet...

zondag 13 juni 2021

Coronamuziek - Uitbraak of nadering met Ralph van Raat

Ik houd van etudes. Het zijn vaak stukken die stoer beginnen. Kijk eens wat ik kan. Er zitten vaak gebroken akkoorden in, en vroeg of laat komen er toonladderachtige sequenties in voor. Dat zijn zo de gewoontes die bij het genre horen.

Vandaag was na coronarust Ralph van Raat aan de beurt. Bij zijn optreden aan de Waal in Nijmegen bleek al gauw dat de componisten niet hadden stilgezeten tijdens de corona. Het stoere gebaar was er meteen toen Van Raat de Techno Etudes van Karen Tanaka aanvloog. Gastheer Rob van der Sandt kondigde al aan dat Van Raat zelf de nodige toelichting zou geven. Daaruit viel van beide kanten een zekere gretigheid te bespeuren. De gastheer en de pianist wilden ons laten delen in iets van de muziek, iets rond de muziek. Verbale gebaren.

Ik zou die verhouding haast concerto willen noemen, de wedijver tussen de muziek en het woord. In Nederland neemt dat woord de vorm aan van uitleg, zeker, maar nooit zonder humor. We worden overdonderd door de etudes, maar punctum contra punctum, dat ook weer. Er moet dus humor bij, lichtheid en een beetje interactie. Bij Amerikanen mag het vet, er worden poetsdoeken glissando over het klavier getrokken zodat de glimlach plaatsmaakt voor ons kent ons.

Waarom houd ik toch zo van etudes? Het zijn schijnvertoningen, de e- van etude is in het Latijn en in onze taal gewoon de s-, de etudes zijn een manier om iets te studeren, te oefenen. Hier in deze blogs heb ik op me genomen om afscheid te nemen van dat oefenen, het was een tijd geleden iets in een naburige serie, de oefeningen in wat ik zoal meemaak. Etudes zijn er om iets anders te doen dan studeren. Bach gaf dat al aan. Hij schreef zijn inventionen en symphonien als studiestukken, maar schreef stiekem muziek.

Als ik goed geluisterd heb, gebeuren er in etudes dus sowieso die twee dingen, het oefenen, en onder het mom daarvan, het musiceren zelf. Alsof het musiceren niet kan zonder bedrog, alsof er iets van afstand moet worden ingebouwd om muziek muziek te laten zijn, muziek dus op afstand.

Ik telde van Karen Tanaka ongeveer vijf stukken met een stevige bas die ostinato bleef doordenderen, terwijl er stevige tegenaccenten in de rechterhand werden neergezet. Dat is corona, zei Van Raat, en ik denk dan: de koeien die van gekte gaan springen als ze in het voorjaar uit de stal mogen. Componisten hebben het voorrecht dat ze niet hoeven te wachten, ze mogen al springen als ze opgesloten zitten, in hun geest, hun verlangen, hun verbeelding.

Tegenover die vijf stukken een stuk in het hogere register, met meer rust. Ook daar minimalmotieven. Tanaka was ooit verhuisd van Parijs naar Californië, en dan zijn oorzaak en gevolg moeilijk te ontwarren. Ze maakte, zei Van Raat, Franse stukken met kleur, à la Ircam, maar in Californië stukken à la Adams. Hard, ritmisch, kosmisch. Maar dus vijf tegen een, ook een stukje hoger register met meer rust.

Zouden we juist in dat stuk de corona dichter hebben genaderd? Wilden we ons in de corona confronteren met ons verlangen, onze verbeelding, dus ongebreideld vitalisme? Of hebben we af en toe niet ook getingeltangel gehoord, waarbij we de rust der engelen genoten? Ik ga voor de verhouding, als een tegen vijf getingeltangel is, dan geef ik me makkelijker over aan die vijf stevige ostinato's. Of misschien wel andersom, want bij etudes weet je het nooit.

Bach Invention for Alto and Tenor Saxophone by Johann Sebastian Bach


zaterdag 10 april 2021

Ook gejubel kan draaglijk worden - Bij een gedicht van Hertmans

Ik zal je vertellen, het is echt een onderneming als je die Goldbergvariaties achter elkaar door speelt. En dan heb je het nog niet over die herhalingen. Technisch is het zeker ook een hele klus. De smoes dat het duidelijk voor twee klavieren geschreven is helpt je niet, want we kennen Glenn Gould.

Geen idee of anderen dat ook hebben, maar als ik zelf die noten speel, zo goed en zo kwaad als het kan, dan brengt me dat niet dichter bij de muziek. Het is echt wat je noemt muziek op afstand, de muziek verandert in noten, kramp, sport.

Als er al een belofte in die Goldbergvariaties schuilt, dan is het de vroomheid, de loyaliteit die schuilt in de volgehouden oefening om ooit een hoger niveau te bereiken. Of eerder al, de roes die kan opkomen bij de langzamere variaties. En zeker ook de herinnering aan die warme zomermiddag in de jaren tachtig met Gould op tv, het geluk dat pas ervaarbaar wordt op grotere afstand.

Zeker en vast ligt er een goudschat verborgen in die variaties, een schat die bescherming verdient en schenkt. Gaaien zijn daar goed in (voorheen mocht je nog gewoon Vlaamse gaaien zeggen). Ze stoppen die noten goed weg, en in 70% van de gevallen vinden ze die weer terug als het nodig is. Hoe zit het, zegt dan de filosoof in mij, met de rest? Erop vertrouwen dat die bedoeld zijn voor de bomengroei?

De mensch is zwak en heeft nu al iets nodig. Hij zal die noten dus moeten kraken. En aangezien de mensch net als de gaai een zangvogel is, ook al kunnen we die zang niet altijd waarderen, gebruikt hij ook zijn stem om zelf te zingen bij wat hij doet.

Hoe komen we in de juiste stemming? Immers, het leven is een enkelbijtertje, en we kunnen wel wat hulp gebruiken. Riskerend, uiteraard, dat we muziek nodig hebben om in de juiste stemming te komen en dat we die juiste stemming nodig hebben om de muziek te pellen uit de schil.

Welnu, hier helpt de muziek op afstand.

Hertmans trekt alle registers open, de retorische vraag, de dialectiek ('en toch'), de vergelijking ('als trouwe honden'). Ik beluister zijn gedicht als een passage, iets dat al voorbijgaande me brengt bij iets dat ik maar moeilijk benaderbaar vind, de Goldbergvariaties, moeilijke poëzie. Wat helpt is om die eerbiedwaardige kunst met je taal op afstand te zetten, en om die taal zelf ook weer op afstand te zetten. De noten goed verstoppen.

 

GOLDBERGVARIATIES

 

Dat we de lichtheid hadden

om handen rond muziek te vouwen -

bedachtzaamheid die uit een fuga straalt

en ons beschermt omdat we iets beschermen.


Er zijn dingen die je niet kunt leren.

Ze volgen ons als trouwe honden,

de zachte enkelbijters van

stemming en humeur.

 

Daar doen we het niet om,

we weten het, we zwijgen

en de variaties jubelen

de jaren door.

 

Hoe vaak beseft een mens wat blijvend is,

die fractie van verbeelding?

En toch - een glimp van een klavier

bij avond door een raam,

een flard van stemmen in de mist,

en alles is weer open.

 

            Stefan Hertmans, Uit: De val van vrije dagen, De Bezige Bij, 2013

 



zondag 21 juni 2020

Hoe verder hoe dichterbij - Stemmen van Kavafis

Nog een weekje en dan vertrekt onze dochter naar haar Griekse dichter.
Elk vertrek brengt de ander dichterbij, al is het op een andere manier.
Ik word weer scholier, volg de cursus Grieks op mijn phone.
Zo groeit de afstand tot Frederiek die sneller leert dan ik.

Als we stemmen horen, zijn het de stemmen van de doden en de verlorenen.
Ze spreken ons toe over het leven, we gaan scherper dan ooit zien
dat we midden in het leven staan, het leven dat steeds jonger wordt.

Ik neem een oud boek uit de kast, van een van die vele doden,
met van die bruine vlekken op de bovenkant. Het is de
tweetalige editie van de gedichten van Kavafis, de beroemdste
Griekse dichter die overigens in Egypte woonde.

STEMMEN

Denkbeeldige en geliefde stemmen
van hen die dood zijn, of van hen
voor ons verloren als de doden.

Soms spreken ze in onze dromen,
soms als men mijmert hoort de geest hen.

En met hun klank keren voor éen moment terug
klanken uit de eerste poëzie van ons leven -
als muziek, 's nachts, in de verte verstervend.


Konstantin Kavafis / Κωνσταντίνος Καβάφης: “I went into the ...

woensdag 6 mei 2020

Muziek en meningen rond FunX

Het is verleidelijk om te reageren op het bericht dat radiozender FunX is gestopt met een programma omdat medewerkers met de dood zijn bedreigd. Ik heb namelijk een paar dagen geleden een blogserie afgesloten over muziek en Agamben. Daarbij had ik steeds het gevoel dat muziek iets is wat vooral op de achtergrond een rol speelt. Zo kon ik mooi, net als Agamben zelf overigens, de muziek uitspelen als een onderschatte machtsfactor.

Maar nu brandt er dus een hevige strijd los over muziek. Het incident lokt zoals altijd stellige meningen uit, maar ook toelichting van deskundigen. Misschien zijn die meningen niet heel erg verkeerd. Ze zetten visies op enorme afstand van elkaar en er ontstaat een loeigroot tussengebied. Zo zegt de een dat muziek hoort bij de Islam, een ander dat er niets over staat in de Koran, de een zegt dat muziek erg belangrijk is tijdens de Ramadan, de ander dat je dan beter geen muziek kunt luisteren, want je gaat toch ook geen herrie maken tijdens de dodenherdenking.

Ik denk nu steeds: o ja, dat heb ik behandeld in blog zus en zo, nummer dit en dat. Maar een belangrijk element had ik nog nauwelijks behandeld, namelijk dat muziek een belangrijk gespreksonderwerp kan zijn.

Zojuist las ik in de beroemde roman Anna Karenina over haar man, die dus Karenin heet. Hij maakt een scherp onderscheid tussen aan de ene kant politiek, filosofie en theologie, en aan de andere kant kunst, poëzie en muziek. Bij de eerste groep is hij op zoek naar een eigen overtuiging, maar over de tweede groep heeft hij zijn overtuigingen altijd paraat:
'Hij sprak graag over Shakespeare, Raphael en Beethoven, en over de betekenis van de nieuwe stromingen in poëzie en muziek, die bij hem alle zeer scherp en logisch van elkaar gescheiden waren.' (110-11)
Dat slaat natuurlijk nergens op, zeker niet in een roman, tenminste, als we de overtuigingen van Karenin zouden zien als iets wat Tolstoj zelf ook denkt of wat wij misschien ook moeten denken. Het is een roman, en die staat meer aan de kant van de poëzie dan aan de kant van de politiek.

Het wordt een ander probleem wanneer we de muziek gaan bekijken vanuit de godsdienst. Daar kun je op zoek gaan naar overtuigingen, maar als je gelovig bent zul je toch ook willen weten hoe Allah over iets denkt, en dan is het alleen maar vervelend dat de Koran je op dat punt in de steek laat.

Wel dacht ik: goed, nu weet je ook eens hoe dat voelt, want ik moest ook de hele tijd bedenken wat Agamben vond van muziek terwijl hij er bijna nooit over schrijft. Ik realiseer me hoe bedrieglijk dat gevoel is, Agamben kun je niet met Allah vergelijken. Ik zal dus net als Karenin verder op zoek moeten naar mijn overtuiging. Dat kan altijd een kettingreactie uitlokken. Ik weet niet hoe de roman verdergaat, maar vermoed wel dat de overtuigingen van Karenin en misschien ook van Tolstoj zelf kunnen wankelen.

Er zit wellicht iets in muziek, muziek van een afstand, dat die overtuigingen uitlokt en aan het wankelen brengt. Je zou dat ritme kunnen noemen.

Islam - Middle Eastern Music

woensdag 29 januari 2020

Troost binnen handbereik - Franse pianofilm

Elk oordeel slaat onmiddellijk terug op jezelf. Zeggen dat de film Au bout des doigts de Amerikaanse film Whiplash nog eens overdoet, maar dan op zijn Frans, roept dus meteen de vraag op waarom we hem toch graag wilden zien. Voor een recensent is dat altijd simpel, hij is de bewaker die zich opstelt tussen kunstwerk en potentieel publiek, en moet beide partijen behoeden. De kunst voor kwaliteitsverlies, het publiek voor teleurstelling. Wat er voor alle partijen overblijft is troost. Die ligt binnen handbereik, 'au bout des doigts'.

De leraar van pianoheld Mathieu vertelde hem toen hij kind was dat je handen toch de zaken zijn waarmee je de belangrijkste dingen doet, en dat je hart door je handen spreekt. Als dat nog geen feelgood belooft. Maar beloftes zijn riskant. Ze gaan uit van controle, dat je in staat bent waar te maken wat je belooft, dat je maximaal gewapend bent tegen de boze buitenwereld. Daardoor lekt je gevoel weg. Toelaten van dat gevoel betekent ipso facto dat je ook de controle kwijtraakt. Alles wat beide weer bij elkaar brengt is compensatie, troost, droom.

Is het daarom ook meteen fake? Ik zou zweren dat de herkomst van dit woord iets te maken heeft met het Latijnse facere, doen of maken. Mijn bronnen wijzen echter naar een onzekere herkomst en naar het oud-Engelse feake, slaan, verwant aan ons woord vegen. Wat heeft een droom dan te maken met vegen? Kunnen vingers op een piano slaan en juist zo een soort troost bieden die tegelijk fake is, en - zoals Mathieus pianolerares van hem vraagt - met een emotie die 'juste et profonde' is?

Amerikanen houden van dromen die starten met de onmiddellijke realisering van die dromen. Dat zien we ook terug in Au bout des doigts. Mathieu ziet een piano op het station, en speelt er meteen een preludium van Bach op perfecte wijze, nog zonder dat we hem zagen oefenen. Later volgen pas de tegenslagen, maar de perfectie van het begin preludeerde al op de feelgood van het eind. Spoilen heeft hier dus geen betekenis, want dat doet de film zelf al.

Nu weten we nog steeds niet wat we met dat vegen hier aanmoeten. Misschien is dit wel wat de Franse regisseur Ludovic Bernard probeerde toen hij het Amerikaanse format overnam. Iets wat juste et profonde moest zijn. Het kwam er misschien niet helemaal uit. Als je Amerikanen kopieert kunnen die Amerikanen dat zelf eigenlijk altijd beter. Whiplash is een betere film dan Au bout des doigts. Maar laat ik eens een rare gedachte opperen. Met de sympathieke poging van de Fransen hoop ik - juist omdat hij niet lukt - tegelijk iets te redden van onszelf, en zeker ook iets van mijzelf, mijzelf als niet erg ambitieus muziekstudent van vroeger, geremd door een zekere weerzin tegen succes.

Vegen, het vegen van het fake, zit hem in de rol van Mathieu als hij het conservatorium binnenkomt. Hij is een straatcrimineeltje uit de banlieue, wordt ontdekt door de directeur van het conservatoire, en mag voor zijn taakstraf de vloeren dweilen. Daar ziet hij dan weer een piano, en de begeleiding van zijn piano-opmars speelt zich nog steeds af in de periode van zijn taakstraf. Zijn droom is dus in wezen de droom van de staat. De staat hoopt dat jongens van de banlieue hun droom realiseren waardoor ze kunnen ontsnappen aan de doem. Daarmee ziet die staat niet dat het vooral zijn eigen droom is, en dat de jongens hun droom al realiseren, al is het op een andere manier dan die staat nastreeft.

De droom is in essentie die van Beethoven en Novalis. De muziek verenigt alles en iedereen, de banlieue met de bourgeoisie, Amerika met Europa, droom met harde realiteit. Mathieu met zijn hoodie onder zijn jas verschilt eigenlijk niet van Beethoven met zijn wilde haar, en zijn jeugd als oudste zoon waarbij hij zijn dronken vader vaak uit de cafés van Bonn moest halen. Ja sterker nog, Mathieu krijgt ook nog een zwarte vriendin die cello speelt, dus ook de rassen worden mooi verenigd.

Dat doet mij overigens denken aan de film Romuald et Juliette, waarbij ik in een vorig leven. lezingen moest houden in het kader van de 'Thomas More Academie'. Als u nu denkt dat dit een onbetekenende bijzaak is, dan wil ik toch even vermeld hebben dat de romance tussen de witte directeur en de zwarte veegster plaatsvond in een yoghurtfabriek, toch het symbool van cultuur bij uitstek. Ook dat was Franse feelgood naar Engels voorbeeld.

We naderen de ontknoping, de ontknoping van deze blog dan toch minstens. Wat ik u nog verschuldigd ben is de betekenis van dat vegen. Waarom is het zo belangrijk dat een toppianist al vloervegend doordringt in het hart, het hart van onze cultuur en het hart van onze emoties? Het simpele antwoord ligt wat mij betreft besloten in de titel van de film, au bout des doigts. Dit betekent zowel 'op je vingertoppen' als 'binnen handbereik'. Het hart spreekt via de vingertoppen, wat wil zeggen dat we dit sprekende hart altijd binnen handbereik hebben. Ergens veegt iemand, hij breekt in in appartementen, hij is grofgebekt. Maar zijn hart ligt binnen handbereik.

Zo bezien is fake eigenlijk helemaal niet zo erg als wij vaak denken. Een film kan fake zijn, maar door alle plichtmatige scènes voel je de goede bedoelingen, de sympathie. Nog even terugbuigen naar de titel van deze blogserie: muziek is altijd op afstand omdat binnen handbereik niet hetzelfde is als onmiddellijke realisering. Zelfs als iemand, zoals Mathieu, de Tweede Rapsodie van Liszt foutloos speelt, dan heeft hij nog een lange weg te gaan om precies daar uit te komen, bij die Tweede Rapsodie van Liszt. Hij moet eerst nog vegen, vegen en vegen...

Afbeeldingsresultaat voor rutte vegen koffie


zondag 5 januari 2020

Troost voor verlies van de verte - Benjamin toepassen op de muziek

In zijn recente boek Studiolo ('Studeerkamertje') bespreekt mijn filosofische held Agamben schilderijen. Steeds belicht hij die vanuit weer een andere invalshoek. Bij een volgeling van Heidegger (en dat is Agamben) verwacht je dat ergens de boerenschoenen van Van Gogh opduiken, die Heidegger belicht in zijn Ursprung des Kunstwerks. Bijna goed! Het gaat om de klompen die Jan van Eyck heeft geschilderd in een hoek van zijn Portret van Giovanni Arnolfini en zijn vrouw. Agamben neemt niet eens de moeite om het schilderij in zijn geheel erbij af te drukken, alsof hij wil zeggen: kijk maar eens naar die klompen, en als je zonodig dat hele schilderij wil zien, google dan maar gewoon.

Agamben is in zijn bespreking in discussie met de kunsthistoricus Daniel Arasse, Le détail - Pour une histoire rapprochée de la peinture (1992). Ik moet meteen denken aan de stukken van Wieteke van Zeil in de Volkskrant, waarin zij een detail uit een schilderij bespreekt. 

De klompen... het lijkt op zichzelf al een parodie op Heidegger. Het wordt nog een tikkie erger. Agamben haalt niet Heidegger erbij, maar de filosoof die hij weleens omschreef als 'antigif' voor Heidegger, namelijk Walter Benjamin. Een hoop mensen in de wereld van filosofie en kunsttheorie kennen diens essay over de reproduceerbaarheid van het kunstwerk. Het gaat over het 'verlies van de aura' door de uitvinding van de fotografie. Nu begreep ik zelf eigenlijk niet goed wat die aura nu betekende. Agamben citeert Benjamins korte uitleg 'de unieke verschijning van een verte'. Het gaat dus om afstand, afstand die ineens opduikt als we naar een kunstwerk kijken. Die verdwijnt dus met de fotografie. Alles wordt scherp en dichtbij.

Ik vraag me af of ik met de verwijzing van Agamben niet mijn eigen project beter kan begrijpen, de muziek op afstand. Gaat het mij om het verlies van de aura en de herwinning daarvan door de muziek op afstand te plaatsen? En hoe kunnen de klompen van Van Eyck ons daarbij helpen?

Zoals altijd probeer ik de redenering van Agamben te begrijpen door te zoeken naar een beslissend stukje tekst. In feite, realiseer ik me, ben ik op die manier ook al een detail aan het uitlichten uit de context, het is een procedé waarmee ik de afstand al dreig te verliezen waardoor de tekst van Agamben voor mij gezag heeft. Ik ben de tekst aan het 'bemeesteren' (padroneggiare). In de context van zijn bespreking van het schilderij spreekt Agamben zelfs van pornografie. Daar gebeurt namelijk hetzelfde. Iets wat niet bedoeld is om te laten zien ga je toch bekijken door het detail uit het geheel te lichten. Pornografie is een reactie, zegt Agamben, op het verdwijnen van de ervaring en intimiteit van de verte. Je probeert jezelf daarvoor te troosten door violentemente de zaken dichterbij te halen.

Nu hoeft dat op zichzelf geen ramp te zijn, hadden we al gezien. Agamben legt uit dat je ook de pornografie 'in God' kunt zien, en waarom dan ook niet een foto of de klompen van de man in het portret van Van Eyck? Met het zien van dingen 'in God' verwijst Agamben naar zijn filosofische held Spinoza. De verte is een voorwaarde om dingen te zien sub quadam aeternitatis specie, 'op een of andere manier vanuit het aspect van de eeuwigheid'.

Agamben komt uit bij de mogelijkheid het detail terug te plaatsen in zijn context waardoor het zijn verte herkrijgt. Dat is natuurlijk ook wat Van Eyck zelf moet hebben gedaan. Om de klompen te kunnen schilderen moet hij er goed naar hebben gekeken, in detail. Die geobserveerde en gedetailleerd geschilderde klompen staan in de linkerbenedenhoek van het portret. De analogie doortrekkend zou je kunnen zeggen: de pornografie maakt deel uit van een groter geheel, een samenleving die anders naar het lichaam kijkt dan vroeger. Willen we onze samenleving beter begrijpen, dan moeten we ook de pornografie beter begrijpen. Een moeilijke beweging, omdat je in dit geval twee ogenschijnlijk tegenstrijdige zaken moet verenigen: de blik op het detail als gewelddadige losmaking uit het geheel, en de blik op deze losmaking als deel van datzelfde geheel.

Oké, alsof dat al niet moeilijk genoeg is, nu toch maar die kwestie van de muziek. Misschien moet ik het niet te ver zoeken, en gewoon luisteren naar wat nu opstaat. Sinds enkele weken heb ik twee Sonos-speakers neergezet, en de hele kerstvakantie heb ik hier klassieke muziek zitten streamen.Hier voor me ligt mijn mobiel die ik met de Sonos-app kan gebruiken als afstandsbediening. Het equivalent van de fotografie is misschien die scherpe weergave van de muziek waarmee we reageren op het verlies van de verte.

Hoe zouden we deze bemeestering kunnen bezien of beluisteren sub specie aeternitatis? Helaas bespreekt Agamben nooit muziekwerken, en ik probeer in een ander project meer vat te krijgen op zijn voorstel om de muzische kunsten te hervormen. Agamben vindt dat nodig omdat de muziek tegenwoordig alles doordringt, overal opduikt. Het is dus niet zozeer het detail en de reproduceerbaarheid, maar vooral de alomtegenwoordigheid. Je zou bijna zeggen: eeuwigheid. Maar dat is toch niet het geval. Doordat een bepaalde vorm van muziek overal te horen is, is de muzische werking van die muziek verdwenen. Of wellicht andersom: doordat de muzische werking is verdwenen, omringen we ons overal met muziek, oneindige streaming, zonder te luisteren, muziek om ons te troosten voor dat verlies.

Misschien helpt hier in dit speciale geval wel juist de schilderkunst, omdat deze wel muzisch is, maar geen muziek. De klompen staan daar in stilte, en we stellen ons voor hoe ze daar weer op de tegels klakken als Giovanni ze aantrekt en wegloopt. We gaan het geluid weer horen.

Afstand nul en oneindig - Laurens de Man speelt de voltooide Bach

Mijn talent is mij een raadsel. Dat ik talent had ontdekte ik vroeger in de muzieklessen. Was het ook talent voor muziek? Daar ben ik minder...